Nooit meer aan de wal

Mensen die hun huis niet leuk vinden, proberen te verhuizen. Mensen die hun schip niet leuk vinden, gaan het te lijf. Schrijfster Jowi Schmitz en fotograaf Friso Spoelstra maakten een boek over bootbewoners van Amsterdam. „Een boot is menselijker dan een huis.”

De zon schijnt, de oostenwind bijt door mijn jas en ik heb een lekke band. Het is een half uur voor ik weg moet en ik wilde de troep op het bordes nog opruimen – restanten van het klussen afgelopen weekend – of hoe heet die overgang tussen wal en schip. Dat woord weet ik nog steeds niet.

Maar in plaats van op te ruimen plak ik mijn band op de kade, terwijl poes Memphis van zeven maanden over de rand van de boot hangt en met haar poot naar de meerkoeten hengelt. Ze lijkt vergeten dat ze vorige week nog in het water donderde en zeker een half uur natrilde toen ik haar met een schepnet weer aan boord gehesen had. Het water is in april amper drie graden.

Binnenkort mogen de luikenkappen eraf, daar verheug ik me op. We wonen sinds september op dit binnenvaartschip en hebben weinig licht gezien. Onze houtkachel kon net de kou niet aan en de luikenkappen vormden een onontbeerlijke extra isolatie. Ze hielpen niet tegen de bevroren waterleiding in de grond, overigens. „Mevrouw dat kan helemaal niet”, verklaarde het waterbedrijf aan de telefoon. Daarna heb ik vanuit de stuurhut toegekeken hoe de waterbedrijfmannen met een föhn hun best deden de leiding te ontdooien.

De band is niet lek, het ventiel wel. Ik zoek in de roef naar een ander ventiel. Binnenkort komt er een extra raam in deze ruimte, zodat we door dat raam naar de kont van het schip kunnen klimmen. In één keer naar de mooiste plek van Amsterdam met uitzicht op het Amsterdam-Rijnkanaal. Ik heb zin om dat gat nu al te maken. Uitbreken. Weg uit deze donkere tobbe.

Er zijn mensen die elke klinknagel van hun schip liefhebben. Ik niet. Ik hou niet van dit schip. Ik hou niet van haar gepiep en gekreun in het ijs afgelopen winter, ik hou niet van haar overdreven geschommel als de wind naar links blaast en de boten naar rechts varen. En toch wil ik nooit meer aan de wal.

Misschien komt het omdat een schip een huid heeft. Omdat het een ‘ze’ is. Omdat ze een kont heeft, een mooie lijn, omdat ze – niet speciaal menselijk maar wel romantisch – met landvasten aan het land vastzit. Dat betekent namelijk dat ik ook alleen maar met landvasten aan het land vastzit. Als ik wil, vaar ik weg.

Mensen die hun huis niet leuk vinden, proberen te verhuizen. Mensen die hun schip niet leuk vinden, gaan haar te lijf. Door te verbouwen, of door haar, als ze geld en mogelijkheden hebben, te vervangen door een ander schip. Een pont lijkt me wel wat, of een passagiersschip met meerdere verdiepingen.

Een boot is menselijker dan een huis. Je trekt er niet in, je gaat ermee samenwonen. Iedereen weet dat dat wederzijds inlevingsvermogen vraagt.

Aan onze vorige boot hebben we een jaar verbouwd en we bleven klussen. Ons zoontje van drie gaat dan ook niet naar peuterdans, hij trekt op zaterdagochtend zijn ‘klusschort’ aan, met zijn eigen nijptang en zijn eigen collectie schroeven.

Je moet het jezelf niet te makkelijk maken vind ik, wat wonen betreft. Het is goed om je actief te verhouden tot de plek waar je woont. Wel luxe, maar zelfgebouwde luxe.

De oude boot was net af toen deze nieuwe in zicht kwam. Ook al een oud binnenvaartschip maar dan pas uit de vaart. Veel groter, ruim 32 meter bij ruim 6,5. Met een roef en een keuken uit de jaren zeventig en een laadruim dat eruit zag als een kerk met op drie meter hoogte dakramen, alles trilde van potentie.

„In welk huis kun je nou zelf je deur bouwen?” zei ik stoer tegen vrienden. Maar, en dat is ook zo bij een boot: alles wat je anders wilt, duurt twee keer zo lang als bij een huis. Niets is loodrecht. Niets is symmetrisch. Wie een boot koopt, moet een vloot geduld meenemen. In ruil daarvoor krijg je, naast een vrijstaand huis, dromen cadeau. Hoe het zou kunnen zijn. Wat er zou kunnen gebeuren.

Nog even en die luikenkappen gaan eraf, dit weekend misschien al. Ik verheug me erop met de opwinding die bij vakantie hoort. Dan heb ik een dekterras waar ik opblaasbadjes en blote kinderen op kwijt kan. Dan heb ik ook veel meer vrienden, die zo van de boot het water inspringen. Dan geeft het niks als ik tussendoor een patrijspoort las. Nog even en ik heb een lente en een zomer lang vakantie.

Jowi Schmitz en Friso Spoelstra: Nooit nooit nooit meer aan de wal. Bootbewoners van Amsterdam; 220 blz. € 24,95