Leefbaarheid van dorpen hangt niet af van scholen

Er is een beweging om scholen in kleine dorpen in stand te houden. Toch zijn die niet zo belangrijk, stellen Lotte Vermeij en Anja Steenbekkers.

Dankzij de substantiële kleinescholentoeslag zijn er in Nederland 1400 basisscholen met minder dan 100 leerlingen. In februari adviseerde de Onderwijsraad de minimumomvang van basisscholen te verhogen van 23 naar 100 leerlingen, waardoor honderden kleine dorpen hun enige dorpsschool zouden verliezen. Het advies maakte felle reacties los bij bestuurders, dorpsbewoners en politici.

Een belangrijk argument waarmee voorvechters van kleine scholen de extra kosten rechtvaardigen, is dat de dorpsschool onmisbaar zou zijn voor een leefbaar dorp. De basisschool zou het kloppend hart zijn van het dorp en sluiting ervan betekent dus de doodsteek. Volgens PvdA-voorzitter Hans Spekman en anderen zijn scholen voor kleine gemeenschappen van ‘onschatbare waarde’ (NRC, 25 februari).

In De Dorpenmonitor, die in mei zal verschijnen, ging het Sociaal en Cultureel Planbureau na hoe het gesteld is met de leefbaarheid van dorpen in Nederland. Ook de basisschool komt hierin aan bod. In kleine dorpen in perifere regio’s vindt 30 procent van de bewoners een basisschool belangrijk voor het contact met buurtgenoten. Vaker noemen dorpsbewoners de straat (75 procent), winkels (47 procent) en sportverenigingen (40 procent). Ook cafés (25 procent) en dorpshuizen (25 procent) worden genoemd. De plek die basisscholen innemen in de sociale infrastructuur van dorpen is dus belangrijk, maar niet exclusief.

Uiteraard zijn kinderen belangrijk, want veel kleine dorpen krimpen en vergrijzen, zeker als ze op grote afstand van de stad liggen. In tientallen perifeer gelegen gemeenten nam het aantal basisschoolleerlingen het afgelopen decennium al met meer dan tien procent af en dit proces is nog in volle gang. Er wordt verondersteld dat het verdwijnen van een dorpsschool dit zal verergeren, zo blijkt uit onderzoek van de provinciale onderzoeksinstellingen Scoop (Zeeland) en Partoer (Friesland). Dorpen mét school krimpen evenzeer als dorpen zonder school, en ook de leeftijdsopbouw is niet afhankelijk van een dorpsschool. Bij de keuze om te verhuizen naar of uit een bepaald dorp geven andere overwegingen kennelijk de doorslag. En zelfs als een dorpsschool hier en daar een gezin over de streep trekt, is het platteland hier per saldo niet mee gediend. Het gezin had anders waarschijnlijk voor een ander dorp gekozen.

Het is begrijpelijk dat dorpsbewoners het verdwijnen van dorpsscholen betreuren. Het empty nest-gevoel dat bewoners ervaren na sluiting van hun dorpsschool, werd treffend beschreven door een bewoner van het Oost-Groningse Harpel in de Volkskrant. Waar vorig jaar nog kinderstemmen klonken, staat nu een leeg gebouw. Maar de Harpelaren ontmoeten elkaar nog wel in het dorpshuis, bij de glasbak en op harpel.nl.

De dorpsgemeenschap is flexibeler dan ze denkt, zo wijst de geschiedenis uit. In Hoe God verdween uit Jorwerd beschreef Geert Mak hoe het dorp zich – vooral dankzij de auto – opende voor de wereld. Hoewel menig plattelandsbewoner zich met nostalgie het levendige dorpsplein van weleer zal herinneren of voorstellen, zullen maar weinigen terug willen naar die tijd. Het verlies van voorzieningen is de prijs voor een vrij en mobiel leven. De leefbaarheid van het platteland is juist goed.

Maar niet voor iedereen. Zonder eigen vervoer is het leven in een klein dorp lastig en soms eenzaam. Toch leeft nog altijd 7 procent van dorpsbewoners zonder auto, in krimpregio’s is dit 10 procent. Dit zijn overwegend ouderen, een groep die in veel dorpen groeit en door bezuinigingen in de zorg steeds afhankelijker is van de directe omgeving. Aan een dorpsschool hebben ouderen weinig – aan de verdwijnende pinautomaten, dorpshuizen en winkeltjes des te meer.

Wie zich bekommert om de leefbaarheid van de dorpen kan zich beter inzetten voor dorpsvoorzieningen voor álle dorpsbewoners. Een voorbeeld is het Dorpshuis Nieuwe Stijl in het Friese dorpje Burum. Het oude dorpshuis kreeg een computerruimte, van waaruit bewoners contact kunnen leggen met een webportaal. Zo kunnen zij boodschappen en bibliotheekboeken bestellen en hulp vragen en aanbieden aan dorpsgenoten. De diensten kwamen tot stand na een inventarisatie onder dorpsbewoners. Het dorpshuis is dus niet alleen een ontmoetingsplek voor jong en oud, maar lost daarbij praktische problemen op van weinig mobiele bewoners. Ook een carpoolschema voor ouders met kinderen op een basisschool in een ander dorp kan hier een plek krijgen. Omdat het Dorpshuis Nieuwe Stijl een experiment is, krijgt het subsidie. Hopelijk hoeven ook in de toekomst afgelegen dorpjes niet alles zelf op te knappen.

Lotte Vermeij en Anja Steenbekkers werken als wetenschappelijk medewerker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau. In mei verschijnt De Dorpenmonitor.