Kunst broederlijk naast curiosa

GeschiedenisIn het vernieuwde Rijksmuseum worden historische en kunstvoorwerpen niet gescheiden. De vaderlandse geschiedenis wordt evengoed verbeeld door zeventiende-eeuwse schilderijen als door poppenhuizen. Maar wie geschiedenis zegt, zegt ook ideologie.

Opnamedatum: 2011-05-20
Opnamedatum: 2011-05-20

Johan Huizinga heeft zijn zin gekregen: in het verbouwde Rijksmuseum worden anno 2013 voor het eerst historische voorwerpen niet langer stelselmatig gescheiden van schilderijen en andere kunstvoorwerpen, maar getoond in één geïntegreerde, chronologische opstelling over vaderlandse geschiedenis en kunst tegelijk.

De boekenkist waarin Hugo de Groot in 1621 ontsnapte aan zijn politiek levenslang in slot Loevestein, het zwaard waarmee in 1619 in opdracht van prins Maurits het hoofd van raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt van de romp werd gescheiden – zij staan niet langer, zoals vóór de verbouwing, in een aparte afdeling geschiedenis maar tussen de kunst uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. Geschilderde gruweljournalistiek uit 1672 – voorstellende de lijken van de door orangisten vermoorde gebroeders De Witt, gescalpeerd, gecastreerd, het hart uit het lijf gerukt – hangt broederlijk in één zaal met idyllische landschappen.

De grote historicus Johan Huizinga had in twee artikelen in De Gids, in 1921 en 1922, geprotesteerd tegen de „volstrekte scheiding” die op instigatie van een staatscommissie in het Rijksmuseum en andere musea werd aangebracht „tussen de voorwerpen die getoond worden om der schoonheid wille en zulke, die speciaal van historische draagkracht zijn”. Dat beleid paste in een destijds veld winnende mode om het kunstwerk ‘autonoom’ te laten zijn, en het zoveel mogelijk los te zingen van minder esthetische context. Huizinga achtte dat een onzinnige gedachte: „In het genieten van oude kunst is de gewaarwording der schoonheid onafscheidelijk van de historische sensatie”, schreef Huizinga. „Het genieten van kunst en van historie is niet essentieel verscheiden.”

Vaderlandse geschiedenis

Dankzij een principiële keuze van voormalig directeur Ronald de Leeuw, onder wiens leiding in 2003 de verbouwing begon, is het Rijks van de in 2008 aangetreden directeur Wim Pijbes in hoofdzaak geen kunst-, maar een historisch museum. Niet in elke zaal is de integratie van kunst en geschiedenis even uitgesproken. De eregalerij die naar de Nachtwacht leidt, bestaat geheel uit topschilderijen. Er zijn zalen, geheel gewijd aan wapens, scheepsmodellen, stoelen en andere kunstnijverheid en curiosa uit verschillende eeuwen.

Maar wie in het nieuwe Rijks een chronologisch parcours loopt van Middeleeuwen tot en met twintigste eeuw – iets waarvoor je, gezien de overdaad aan moois en interessants, rustig dagen kunt uittrekken – krijgt een beeld van de vaderlandse geschiedenis dat evenzeer door zeventiende-eeuwse schilderijen, als bijvoorbeeld door zeventiende-eeuwse poppenhuizen wordt bepaald – om geen van beide kun je heen. En dat wil je trouwens ook helemaal niet: de expositietechniek in het nieuwe Rijks is van duizelingwekkende kwaliteit.

De vraag is alleen: door welke geschiedenis word je nu eigenlijk geleid? Die vraag is zo oud als het Rijksmuseum zelf en heeft vanaf de oprichting aanleiding gegeven tot debat. De initiatiefnemers in de negentiende eeuw hadden een duidelijk programma. „De verspreiding van kennis onzer nationale historie is een staatsbelang”, schreef Victor de Stuers in 1873 in De Gids. „Want evenzeer als taal, godsdienst of zeden, schept de geschiedenis de band die bevolkingen tot nationaliteiten verbindt en verbonden houdt.”

Anderen, zoals schrijvers E.J. Potgieter en J. Alberdingk Thijm, zagen in het nieuwe museum niets minder dan een middel om de natie te vitaliseren: waar Nederland geacht werd sinds de zeventiende eeuw te zijn versuft – de geest van Jan Salie – zou de confrontatie met het glorieuze nationale verleden, met name dat van de Gouden Eeuw, de natie inspireren tot nieuwe bloei, in deze jaren waarin de industriële revolutie Nederland had bereikt en steden als Amsterdam stormachtig groeiden.

Deze negentiende-eeuwse overwegingen vertonen overeenkomst met die van de Kamerleden die in 2006 het initiatief namen tot het Nationaal Historisch Museum te Arnhem. Ook zij beoogden immers een sociaal-integrerend en opwekkend effect. Het is goed dat dit onzalige initiatief gesneuveld is – als enig positief effect van de bezuinigingen in het kunstbeleid. Nederland heeft immers, in de vorm van het Amsterdamse Rijksmuseum, allang een Nationaal Historisch Museum, waaraan je bovendien kunt zien dat zo’n museum geen eenvoudige zaak is.

Rooms

De hooggestemde verwachting van bevordering van nationale eenheid en nationaal elan was na de opening in 1885 namelijk geen lang leven beschoren. Met name het protestantse volksdeel, dat meende dat ons nationaal volksbestaan eigenlijk eind zestiende eeuw met de Hervorming en de Opstand tegen Spanje was begonnen, stoorde zich aan het feit dat het museum eerder uitging van culturele continuïteit sedert de Middeleeuwen. De architectuur van het neogotische gebouw van Pierre Cuypers was ook onderwerp van ideologische kritiek: die zou te rooms (lees: on-Nederlands) en bovendien te nadrukkelijk aanwezig zijn en de aandacht afleiden van de kunst, met name door al die versieringen. Het verondersteld ‘katholieke’ karakter van Cuypers’ schepping was de reden dat koning Willem III de opening van het museum (‘ce monastère’) in 1885 niet wilde bijwonen.

In het ontzuilde Nederland van 2013 speelt het debat over het religieus karakter van de natie minder een rol. Of Cuypers’ interieur-ontwerpen – in de loop der decennia veelal door verf of timmerwerk aan het oog onttrokken maar bij de jongste restauratie zoveel mogelijk in oude luister hersteld – nu ook als afleidend worden ervaren, staat nog te bezien, maar ‘te rooms’ zullen we niet meer gauw horen. Toch is ook deze nieuwe versie van het Rijks niet boven ideologische kritiek verheven. Want wie geschiedenis zegt, zegt immers ideologie.

Niet alleen de l’art pour l’art-gedachte uit de jaren twintig is namelijk verlaten, ook aan de meer recente neiging van musea om kunst en andere objecten in onderlinge thematische samenhang te tonen, gaat het nieuwe Rijks resoluut voorbij. Het Nationaal Historisch Museum te Arnhem zaliger nagedachtenis had deze nieuwe mode ten top willen drijven, door de hele geschiedenis te vatten in thema’s als ‘Ik en wij’, ‘Land en water’, ‘Rijk en arm’ etc.

Het Rijks is in zijn nieuwe gedaante in veel opzichten het exacte tegendeel van deze educatieve opzet. Wat zegt ons de imposante spiegelversiering van de Royal Charles, het vlaggeschip van de Engelse vloot dat Michiel de Ruyter in 1667 in Chatham buitmaakte? Of een dubbeldeks vliegtuig van luchtvaartpionier Frits Koolhoven? Of dat prachtige nazischaakbord dat van NSB-leider Mussert is geweest? De bezoeker mag het zelf uitmaken. De door Huizinga bepleite ‘historische sensatie’ is ruimschoots aanwezig: zaal na zaal toont het museum eclectisch zijn schatten, spectaculair opgesteld en uitgelicht en zonder dwingende interpretatie van het getoonde.

Je kunt dat, zoals ik toen ik na een eerste blik min of meer verpletterd weer buiten stond, bevrijdend vinden. Of je kunt denken dat het beroep van het museum op de historisch-kritische faculteiten van de bezoeker te gering is, en de algemene indruk ‘waarin een klein land groot kan zijn’ een te magere opbrengst van een bezoek aan een Nationaal Historisch Museum. Na de sensatie kan het debat beginnen.