Opinie

Keurig Hollywood sjoemelt met Oz en Hitch

‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer.
‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer. Foto Olivier Middendorp

Nieuwsgierig ga ik naar Oz, the Great and Powerful. Een eerbetoon aan The Wizard of Oz (1939), kroonjuweel van Hollywood. Hollywood is druk met de eigen mythologie. Dat doe je niet met complete biopics. Legendes smeed je met het vergrootglas op een beslissend moment. Een held is één heldendaad. My week with Marilyn (2011) was zo’n film. Die deed Monroe trouwens af als een seksbom tegen wil en dank annex sneue vrouw. Wel zo overzichtelijk maar zonde, want als er nou iemand de filmmythologie heeft gediend dan is zij het.

Monroe interesseert me, maar van The Wizard of Oz houd ik. Hij stamt uit de gelukkige periode dat niemand zijn neus ophaalde voor filmmusicals (nu geldt dat als een bewijs van goed gedrag, wat ik dan weer beschouw als een bewijs van blinde vlek). Judy Garland speelde de hoofdrol: Dorothy uit Kansas die door een wervelstorm belandt in Oz, een dreigend toverland. Motto: geloof in jezelf. Het verhaal was gepikt van Alice in Wonderland, maar zand erover want het leidde tot deze film.

Judy Garland was 16. Filmstudio MGM hield haar al twee jaar klein en dus op een dieet (avondmaaltijd: 1 glas water) en voor The Wizard werden elke dag haar jonge borsten afgesnoerd. Zielig, maar nooit is het verlangen in haar versie van de song Somewhere over the Rainbow verbeterd, zelfs niet later door haarzelf. En haar onhandige gehuppel (boven de 12 is huppelen moeilijk) maakte van de yellow brick road een onverwoestbaar symbool voor het vertrouwen op goed geluk.

Ik probeer te genieten van Oz, the Great and Powerful, echt, ik zet me er zelfs overheen dat het niet eens een musical is. De film concentreert zich op de wizard in zijn jonge jaren. Hij liegt en hij draait. Mooi zo. Maar daar wordt een mouw aan gebreid: hij wordt verliefd op een mooie goede heks. De waanzin van de oude Oz wordt hier verdreven door knussigheid, terwijl de quasi-Harry-Pottermuziek van componist Danny Elfman commandeert: geef ácht voor de Hollywood-mythe!

Ik loop weg, ik neurie de dolgedraaide stormsong uit de originele Oz, waarin de boze heks haar duim opsteekt voor een lift: The wind began to switch/ The house to pitch/ And suddenly the hinges started to unhitch/ Just then the Witch/ To satisfy an itch/ Went flying on her broomstick, thumbing for a hitch…

Doe ik ook. Want ik wil een hitch. Dé Hitch. Daarvoor ga ik naar Hitchcock – alweer een film om der wille van de mythologie. Over de master of suspense, en over het meesterwerk Psycho (1960), waterscheiding in Hitchcocks oeuvre. De film zonder één grapje. De film met de beruchte douchescène. De film waarin voor het eerst een Hitchcock-blondine eraan ging via grof, sensueel geweld. Direct daarna deed hij er met The Birds in alle opzichten nog een schepje bovenop. De dochter van de actrice van die film stuurde hij een cadeautje, een popje dat sprekend op haar moeder leek. In een lijkkistje.

Hoe vreemd. Zelfs de mythe van Alfred Hitchcock, het duistere genie, wordt huiselijk gemaakt en Hitchcock zelf handtam. Anthony Hopkins speelt hem – dik maar niet afstotend (wat hij wel was), geaffecteerd sprekend maar niet overdreven traag (wat hij wel deed). Hij intimideert zijn actrices, maar veel minder dan uit allang bekende verhalen is gebleken. De film reduceert zijn demonen (die waren er in overvloed, lees de biografie van Donald Spoto er maar op na) tot de handzame vrees dat zijn vrouw hem bedriegt. Die vrouw, Alma, was lelijk, waarom is ze hier mooi? En trouwens, waar slaat die rare tovermuziek op? O, dat is Danny Elfman weer: geef acht!

Ik ben geen kwezel. Dat er van alles niet klopt, maakt me niet uit. Om de waarheid te pakken te krijgen, moet worden geknipt, geplakt en gejokt. Maar Hollywood beledigt me. Wat bijzonder is, wordt bijgetrimd tot iets normááls.

Hoe halen ze het in hun hoofd. (En: handen af van James Dean.)