Opinie

ING’s voorvertoning van de Apocalyps

Hee, een verkeerd saldo. Veel klanten van ING ontdekten gisteren dat hun bankrekening opeens niet meer klopte. Ze waren opeens veel rijker of juist honderden euro’s armer en in sommige gevallen stonden ze rood terwijl dat helemaal niet kon. De storing is inmiddels verholpen, maar zij wijst ons op twee belangrijke zaken. De eerste is dat een bank voor het overgrote deel een immense computer is. ING zelf gaf als groep vorig jaar meer dan een miljard euro uit aan computerkosten – meer dan aan huisvesting. En daar zijn de salarissen van een deel van het personeel dat er dagelijks mee bezig is niet bij inbegrepen.

De tweede constatering hangt daarmee samen. Geld bestaat niet echt – een fenomeen waar de klant gisteren nerveus kennis mee maakte. Geld is een constructie, die staat of valt met ieders vertrouwen dat zij voor altijd blijft staan. Er is in wezen geen dekking voor, sinds goud zijn rol als reserve heeft verloren.

Banken zijn, in het fiduciaire systeem dat we nu kennen, letterlijk ‘geld scheppende instellingen’: zij creëren geld vanuit het niets, wanneer zij een krediet aan een mens of bedrijf in het leven roepen waar in de logica van de financiële economie dan boekhoudkundig een saldo tegenover ontstaat.

De bank als computer maakt dus geld als geloofsverschijnsel. Het resultaat is dat een banktegoed letterlijk niets meer is dan een serie van enen en nullen, ergens op een harde schijf. Dat is niet erg zolang we het idee hebben dat, wanneer iemand per ongeluk koffie morst, die enen en nullen niet zomaar verdwenen of veranderd kunnen zijn.

Het meest opmerkelijke is dat geld nog steeds niet echt wordt begrepen. Want hoeveel is er eigenlijk van, en wat betekent dat? Klein voorbeeld: in 1988 was er in Nederland 150 miljard euro (teruggerekend) in omloop. Hierbij gaat het om girale tegoeden, deposito’s en wat munten en biljetten. Het bruto binnenlands product was 218 miljard euro. Er circuleerde dus 0,7 euro per euro productie. De geldhoeveelheid nam daarna sterk toe. Vorig jaar bedroeg de geldhoeveelheid 807 miljard, bij een bbp van 600 miljard: 1,34 euro in omloop per euro productie. De hoeveelheid geld in omloop ten opzichte van wat we met zijn allen jaarlijks produceren is in 25 jaar dus verdubbeld.

Maar waarom? Er wordt gewezen op de kennelijk verminderde omloopsnelheid van geld, op inflatie die met officiële metingen over het hoofd wordt gezien (denk aan aandelen of vastgoed), op daar deels mee samenhangende excessieve geldschepping in het financiële systeem. De jury beraadslaagt nog steeds.

Dat is vreemd: het belangrijkste in onze samenleving, namelijk het universele middel om vermogen in te bewaren en producten en diensten te ruilen, is een enigma. En dat brengt ons weer terug op de cruciale functie van geloof in het geldsysteem. De storing bij ING was geen doorsnee defect: zij gaf het publiek zicht op het wankele karkas van het stelsel, op hoe de financiële Apocalyps eruit zou zien, op de kennelijke vergankelijkheid van al die enen en nullen. En dat na een financiële crisis die de samenleving nog steeds op haar grondvesten doet schudden? Geld is een geloof. In veel religies is de Schepper ook de Vernietiger. Een storing van dit type mag nooit meer voorkomen.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.