'Ik heb echt niets aangedikt'

VerbouwingTien jaar lang ‘woonde’ Oeke Hoogendijk in het Rijksmuseum om de verbouwing te filmen. Het werd een „shakespeariaanse soap”.

Portret van Oeke Hoogendijk tijdens opnames voor de documentaire Het Nieuwe Rijksmuseum.
Portret van Oeke Hoogendijk tijdens opnames voor de documentaire Het Nieuwe Rijksmuseum.

Menno Fitski, conservator Oost-Aziatische kunst, verwoordt het mooi, aan het eind van Oeke Hoogendijks vierdelige documentaire Het Nieuwe Rijksmuseum. „Het is net een geboorte”, zegt hij wanneer hij in het vierde en laatste deel van de film terugkijkt op de eindeloze renovatie van het museum. „Eerst is er een hele lange aanloop, en dan opeens gebeurt het. Na alles wat je verzonnen hebt, blijkt ineens of het goed is. Dan kun je alleen nog maar hopen dat het een mooi kindje wordt.”

We hebben er dan bijna vier uur film opzitten. We hebben gezien hoe Fitski en zijn collega’s jarenlang plannen hebben zitten maken voor het nieuwe museum. We hebben ze maquettes in elkaar zien knutselen om te zien hoe de kunstwerken in de nieuwe zalen tot hun recht komen. We hebben ze gevolgd wanneer ze op reis gingen voor nieuwe aankopen. We hebben ze horen klagen dat het op papier inrichten van exposities wel heel abstract is: „Je krijgt het gevoel van droogzwemmen.”

En dan opeens, in het voorjaar van 2012, vindt na negen jaren van verbouwing toch de oplevering van het Rijksmuseum plaats. In 260 dagen moeten zo’n 8.000 kunstwerken worden verhuisd en opgehangen. Die verhuizing – een militaire operatie, aldus museumdirecteur Wim Pijbes – vormt de apotheose van Oeke Hoogendijks (51) documentaire. Twaalf minuten lang is te zien hoe de kunstwerken liefdevol de zalen binnen worden gedragen, hoe vitrines gevuld worden en schilderijen hun plek krijgen tegen de nieuwe, donkergrijze wanden. „Een kippenvelmoment”, vindt hoofd collecties Taco Dibbits. En ook de Spaanse architect Antonio Ortiz, die zich eerder in de film vaak getergd uitliet over de vele tegenslagen waarmee hij te kampen kreeg, durft dan te zeggen: „Ik ben heel tevreden. Alle inspanningen zijn ineens vergeten.”

Eigenwijs stadsdeel

Het idee om een documentaire over de verbouwing te maken kwam van het Rijksmuseum zelf. Maar het is niet de goednieuwsfilm geworden waar het museum wellicht op hoopte. Hoogendijk schetst een onthutsend beeld van alles wat zich achter de schermen afspeelt. Hoe er eindeloos wordt gesteggeld over de kleuren van de muren. Hoe het botst tussen de ego’s van de Spaanse architecten en de Franse ontwerper van het interieur. Hoe de ene na de andere projectleider zich stukbijt op het bureaucratische proces. Hoe de kosten almaar hoger worden en de openingsdatum steeds verder verschuift. En vooral: hoe een eigenwijs stadsdeel en een opstandige Fietsersbond een glorieuze entree in de onderdoorgang van de kaart kunnen vegen.

Zelf noemt Hoogendijk haar film een „shakespeariaanse soap”. Het is een documentaire die gaandeweg steeds meer het karakter van een opera krijgt, zoveel dramatische wendingen vinden er plaats. De hoofdrolspelers van die opera hadden niet beter gekozen kunnen worden. De toegewijde conservatoren, de koppige politici, de ijdele museumdirecteur, de sympathieke huismeester – allemaal zijn het schitterende types die je als regisseur niet beter had kunnen casten. En allemaal vertellen ze de filmmaakster openhartig over hun frustraties, hun dromen, hun angsten.

Bijna tien jaar heeft ze in het museum gewoond, zegt Hoogendijk. Wekelijks kwam ze er over de vloer, in totaal schoot ze meer dan 350 uur aan materiaal. „Het is echt een levenswerk geworden. Hoe langer het project duurde, hoe leuker ik het begon te vinden. Je krijgt steeds meer vertrouwen, kunt steeds dichter bij de mensen komen. Ik werd een stuk meubilair, mocht overal bij zijn. En ik zat steeds bij beide partijen aan tafel. Dan kreeg ik van het museum te horen: ‘ben jij nog op die vergadering van het stadsdeel geweest? En wat zeiden ze over ons?’ Die eilandencultuur, ook daar gaat deze film over.”

In deel 1 en 2, over de jaren 2005-2008, zwaait directeur Ronald de Leeuw nog de scepter. We zien hem aanvankelijk vol goede moed aan het bouwproces beginnen. Vrolijk leidt hij, met bouwhelm en geel vestje, de bouwvakkers rond door het kaalgestripte museum. Om hem heen loopt intussen alles in het honderd. Zijn personeel raakt steeds meer gedemotiveerd, de architecten worden steeds wanhopiger en de omwonenden volharden in de strijd om ‘hun’ fietstunnel. Als De Leeuw uiteindelijk toch de handdoek in de ring gooit, laat hij de medewerkers in het museum in apathische toestand achter.

In deel 3 begint de nieuwe directeur Wim Pijbes strijdvaardig en gedreven aan zijn nieuwe baan. In de film is te zien hoe hij vanaf dag 1 bezig is mensen voor zich te winnen. Hoogendijk: „Pijbes zag wat zijn voorganger had laten liggen. Namelijk het lobbyen met de inwoners van Amsterdam Oud-Zuid en de leden van de Fietsersbond.” Pijbes maakt een nieuw plan voor een entree in de onderdoorgang, met trappen in het midden en de fietspaden aan weerszijden. Want, zegt hij: „Klein hoort niet bij het Rijksmuseum.” Maar uiteindelijk loopt ook hij helemaal vast in de stroop van de bureaucratie. De nieuwe entree komt er niet. „Te laat, te duur, helaas”, zo vat Pijbes het proces geagiteerd samen.

Het verschil tussen de regeerperiodes van de elitaire Ronald de Leeuw en de straatvechter Wim Pijbes is ook in de film goed te zien. De twee delen van de documentaire met De Leeuw in de hoofdrol noemt Hoogendijk een echt koningsdrama. „Zijn stoelpoten worden steeds verder afgezaagd, maar hij leeft in ontkenning van die realiteit.” Deel 3 en 4 hebben meer het karakter van een ridderspel. „Met Pijbes als strijdlustige ridder die vol bravoure voor de troepen uit rent en gewoon doordendert, ook al wordt zijn kop eraf gehakt.”

Dat de verbouwing zo’n lijdensweg zou worden, had Hoogendijk nooit verwacht. „Ik was helemaal niet van plan om er zo’n drama van te maken. Maar alles bleek zo ongelofelijk gecompliceerd. Alsof er een zwaar gewicht aan het hele project hing dat het keer op keer naar beneden trok. Er gebeurden steeds dingen die je niet had kunnen verzinnen. Zoals dat er tot twee keer toe een aanbesteding was waarbij maar één partij kwam opdagen. En beide keren legden de aannemers een offerte op tafel die over de kop ging. Uiteindelijk is het een film geworden over hoe een project de mens totaal kan overnemen – een kafkaësk verhaal dat haast niet is na te vertellen.”

Ze heeft niks aangedikt, zegt ze. „Ik heb echt niet alleen de negatieve kanten benadrukt. Wim Pijbes stelde mij op een gegeven moment aan iemand voor als: ‘Dit is Oeke. Zij maakt een film over alles wat misgaat.’ Maar als ik eerlijk ben, is wat er in mijn film te zien is het topje van de ijsberg. Ik wil geen azijnpisser zijn. Daarom is het einde van de film ook zo belangrijk, met die apotheose: het museum is namelijk echt mooi geworden.”

Liefde voor de kunst

Het ontroerendst zijn de momenten waarin Hoogendijk met haar camera de conservatoren dicht op de huid zit. Want ondanks alle ellende is er altijd nog hun aanstekelijke liefde voor de kunst. Reinier Baarsen, conservator meubelen, danst lichtvoetig door het depot in Lelystad en zwaait als een dirigent geestdriftig met zijn armen als hij de gerestaureerde Beuningkamer uit 1748 laat zien. „Ik zou zelf niets liever willen dan in zo’n kamer wonen!” En Menno Fitski, die naar Japan is gereisd om twee reusachtige veertiende-eeuwse tempelwachters te verwerven, kijkt in hetzelfde depot zijn nieuwe aanwinsten haast verliefd in de ogen. Teder streelt hij de sculpturen over hun buik, alsof het geen stenen reuzen zijn maar mensen van vlees en bloed.

„De conservatoren hebben mij er op moeilijke momenten wel doorheen geholpen”, zegt Hoogendijk. „Mensen vragen mij wel eens waarom ik geen film over bijvoorbeeld de Noord-Zuidlijn wilde maken. Dan zeg ik: goddank heb je in het Rijksmuseum de kunst nog. Anders was het alleen maar over vergunningen en aanbestedingen gegaan.”

Het Nieuwe Rijksmuseum wordt op 7 april (deel 2 en 3) en 14 april (deel 4) uitgezonden op Ned. 2. Dit najaar verschijnt een bioscoopversie.