Het Rijksmuseum zijn wij

Collectie

Het Rijks is onze ‘nationale schatkamer’, maar zonder de meesterwerken uit andere landen die je in buitenlandse ‘schatkamers’ wel vindt.

Bij de kassa van de winkel van het ‘oude’ Rijksmuseum stond de laatste jaren vaak een bordje. Daarop was een foto te zien van Johannes Vermeers Meisje met de parel met daarbij de tekst (ik vat maar even samen): „Dit schilderij bevindt zich niet in het Rijksmuseum. Het hangt in het Mauritshuis in Den Haag. Sorry!”

Die tekst was veelzeggend: niet alleen appelleerde het bordje aan de enorme status die Vermeer in het algemeen, en het Meisje in het bijzonder, het laatste decennium hadden verworven (vooral bij Amerikaanse toeristen, die allemaal Tracy Chevaliers Girl With a Pearl Earring hadden gelezen); het bevestigde ook de rol van het Rijks als ‘Nationale Schatkamer’. Als je een klassiek Nederlands schilderij wilde zien, was de impliciete boodschap, moest je hier zijn, in Amsterdam (en vervolgens in de winkel natuurlijk de enige ‘echte’ reproducties kopen). Kijk eens, wat u net allemaal had gezien: de Nachtwacht (Rembrandt), De Melkmeid (Vermeer), De Staalmeesters (Rembrandt), De vrolijke drinker (Hals), Het Joodse Bruidje (Rembrandt), De molen bij Wijk bij Duurstede (Ruisdael), Het meisje in het blauw (Verspronck), Het straatje (Vermeer), Het vrolijke huisgezin (Steen) – hoorde het Meisje met de parel daar niet gewoon tussen? Wat moesten ze er in Den Haag eigenlijk mee? Het voelde bijna onrechtvaardig.

Wie de breed gedragen euforie overziet die zich de afgelopen weken meester heeft gemaakt van media en publiek nu het Rijksmuseum weer opent (Ruud Gullit! de Nachtwacht wordt honderd meter verplaatst!) kan constateren dat het museum de afgelopen jaren in één ding grandioos is geslaagd: om zich te positioneren als ‘schatkamer van Nederland’. Het Rijksmuseum is ‘ons’ museum, het museum waar het beste overzicht van de beste Nederlandse kunst is te zien en waar je als Nederlander gewoon eens trots op je eigen roemrijke verleden kunt zijn. En we zijn niet de enigen: kijk maar naar de vele stukken die buitenlandse media over het Rijksmuseum schrijven. Het Rijksmuseum, zijn collectie, is op cultureel gebied internationaal zonder twijfel het beste wat Nederland te bieden heeft.

Opmerkelijke armoede

Dat het Rijks die uitstraling zo glorieus weet uit te dragen is des te opmerkelijker als je bedenkt dat er ook heel veel belangrijke klassieke werken niet in onze nationale schatkamer hangen. Dat geldt niet alleen voor het Meisje, maar ook voor De stier van Potter (dat tweehonderd jaar geleden nog met een militaire escorte terug uit Frankrijk werd gehaald), Ruisdaels Gezicht op Haarlem met bleekvelden (waar er wel vijf van zijn, maar niet in het Rijksmuseum), Maarten van Heemskercks Pieter Foppesz. en zijn familie (het eerste familieportret uit de Noordelijke traditie) en Geertgen tot Sint Jans’ De heilige Johannes in de wildernis. Van Hiëronymus Bosch, misschien wel de grootste Nederlandse schilder na Rembrandt, Vermeer en Hals heeft het Rijks zelfs niks. En niet te vergeten Vermeers Gezicht op Delft (ook al in Den Haag).

Maar wat misschien nog opvallender is: wat een opmerkelijke armoede onze ‘nationale schatkamer’ vertoont waar het werken betreft van niet-Nederlanders. Waar je in de National Gallery in Londen, het Prado in Madrid, de Hermitage in Moskou, het Louvre in Parijs, het Metropolitan in New York of de Alte Gemäldegalerie in Berlijn steeds een heel behoorlijk overzicht vindt van de belangrijkste ‘buitenlandse’ vertegenwoordigers uit de westerse kunstgeschiedenis, zijn die in Amsterdam bijna volledig afwezig. Oké, het Rijks heeft een mooie Fra Angelico (al struikel je in Italië over betere), een aardige Piero di Cosimo , een Dürer (van 18 × 12 centimeter) en één uitstekende Goya. Maar Titiaan? Vélazquez? Rubens? Brueghel? Rafaël? Holbein? Van Eyck? Niks. Nada – waarmee die trotste schatkamer van internationale allure toch een beetje verschrompelt tot een provinciaal instituut. Een paleis dat zijn reputatie eigenlijk louter ontleent aan de kunstproductie van krap vijftig jaar (grofweg 1620-1670) uit ons eigen land. Begint u trouwens al geïrriteerd te raken als u deze ‘debunking’ leest? Wilt u eigenlijk opmerken dat ik niet moeten zeuren omdat er zoveel moois is te zien? Inderdaad, het gevoel van nationale trots over het Rijks zit diep, veel dieper dan we vaak beseffen.

Een Fransman ontdekt Vermeer

Zo bekeken is het nuttig om te beseffen dat het Rijks (en wij) eigenlijk veel geluk hebben gehad met het feit dat de kunstgeschiedenis zich in de negentiende eeuw vrij onverwacht naar ‘onze’ perceptie heeft geplooid. We zijn het bijna collectief vergeten, maar aan het begin van de negentiende eeuw, ten tijde van en net na de napoleontische overheersing, waren de meeste schilders die nu in het Rijks worden gekoesterd (Vermeer, Hals, Steen) zo goed als vergeten – alleen Rembrandt gold nog als gevierd.

De belangstelling voor het nationale artistieke erfgoed was in die jaren sowieso nogal beperkt. Een mooi voorbeeld daarvan was de collectie van Jan Gildemeester Jans (1744-1799). Deze zeer rijke, vrijgezelle koopman had aan het einde van de achttiende eeuw in zijn huis aan de Gouden Bocht in Amsterdam een prachtige collectie schilderijen verzameld, waaronder Frans Hals’ Lachende Cavalier, Johannes Vermeers Astronoom, Portret van een oude man van Rembrandt en nog een stevige reeks werken van Rubens, Jacob van Ruisdael, Gerard Dou en noem maar op – een mooi ‘uittreksel uit zijn collectie is trouwens te zien op een schilderij van Adriaan de Lelie, dat nu weer is te zien in de vaste opstelling van het Rijksmuseum. Toen Gildemeester overleed en zijn nalatenschap in 1800 werd geveild, verdween echter vrijwel de hele collectie naar het buitenland. Het Rijksmuseum, net dat jaar opgericht, liet de Halzen, Vermeers en Rembrandts lopen, maar wist uit de hele verzameling precies één werk veilig te stellen: De bedreigde zwaan van Jan Asselijn – gelukkig nog steeds een klassieker.

Toch valt deze nalatigheid de toenmalige directeuren en conservatoren van het Rijksmuseum nauwelijks te verwijten. Niet alleen moesten ze hun collectie aanvankelijk vooral opbouwen met behulp van schenkingen en bruiklenen (van de stad Amsterdam bijvoorbeeld), waardoor het bijvoorbeeld een forse tegenslag was toen Willem I ervoor koos om de topstukken uit zijn collectie, waaronder Potters De stier, te schenken aan het Mauritshuis. Maar ook de tijdgeest was anders. In die dagen waren schilders als Potter en Dou veel populairder. In die zin had het Rijks opvallend veel geluk met het feit dat de waardering voor de Nederlandse kunst in de negentiende eeuw opzienbarend wijzigde. Daarbij speelden buitenlanders een belangrijke rol, in het bijzonder Theophile Thoré-Bürger, een Franse schrijver en criticus. Hij was de herontdekker van Frans Hals (die tot ongeveer 1840 met zijn brede verftoetsen en kale stukken doek vooral als een ‘luie schilder’ werd gezien) en was bijna in zijn eentje verantwoordelijk voor de herwaardering van Vermeer – die overigens in gang werd gezet doordat Thoré diens Gezicht op Delft in het Mauritshuis tegenkwam. Over dat doek was hij zo enthousiast dat hij een gedreven zoektocht begon naar andere Vermeers, uitgebreid over hem publiceerde en, opmerkelijk genoeg, zijn werk begon te verzamelen: na een aantal jaren had Thoré drie Vermeers in privébezit, waaronder Vrouw met parelsnoer en de Staande virginaalspeelster. Zo ging dat dus in die tijd. Als je maar wilde.

Volksaard

Interessanter is echter de belangrijkste reden waarom Thoré-Bürger zich zo fanatiek op de Nederlandse kunst stortte: als politiek balling uit Frankrijk had hij er al jaren voor gepleit dat de Franse kunst zich niet langer op de klassieke, op de Italiaanse Renaissance geënte stijl moest richten, maar een ‘eigen’ authentieke nationale stijl moest ontwikkelen die de Franse volksaard maximaal weerspiegelde. Dat was precies wat de Nederlandse kunst van de zeventiende eeuw volgens hem perfect had gedaan. Volgens Thoré vingen de schilderijen van Hals, Vermeer, Fabritius, Steen en natuurlijk Rembrandt de essentie van de Nederlandse volksaard: ‘wij’ waren overzichtelijk, huiselijk, onpretentieus. Natuurlijk, het waren eigenschappen die voor Nederlanders niet uit de lucht kwamen vallen, maar door kunst en volksaard zo nadrukkelijk met elkaar te verbinden, raakte Thoré (niet als enige) een gevoelige snaar: langzaam beseften ook de Nederlanders zelf dat ze zoiets hadden als een nationale volksaard – en laat dat nu precies zijn waarnaar ze, midden negentiende eeuw, na jaren van Franse overheersing op zoek waren. Ineens vielen verlangen (naar een eigen nationale identiteit) en kunst (die uit de zeventiende eeuw) perfect samen: nadat eerst Thoré en andere buitenlanders de Nederlanders op hun eigen rijke artistieke erfgoed hadden gewezen, begonnen ‘wij’ er ook zelf in te geloven. En toen werd het ineens een voordeel dat schilders als Hals, Steen en Vermeer nog relatief makkelijk te verwerven waren (mooiste voorbeeld: in 1881 wist verzamelaar Andries des Tombe het Meisje met de parel op een veiling te kopen voor het luttele bedrag van 2,30 gulden) – om het vervolgens aan het Mauritshuis af te staan. Gelukkig deden verschillende andere particuliere collectioneurs dat ook; zij schonken hun werken later aan hét symbool van Nederlandse culturele kracht: het Rijksmuseum.

Zo ontstond er een interessante omkering: doordat het Rijksmuseum zichzelf al vroeg als nationale schatkamer wist te profileren, groeide het in de twintigste eeuw daadwerkelijk in die rol. Niet alleen omdat steeds meer verzamelaars hun topstukken afstonden aan het museum, maar ook omdat er al snel een interessante omkering plaatsvond: een Nederlands zeventiende-eeuws schilderij is pas echt een topstuk, een verbeelding van de Nederlandse volksaard als het in het Rijksmuseum hangt. Het is de perfecte kip-ei-situatie die het museum nu bewonderenswaardig weet uit te buiten – want zouden prachtschilderijen als Versproncks Meisje in het blauw, Adriaen Coortes Stilleven met asperges of Cesar van Everdingens Jonge vrouw met brede hoed ooit zulke nationaal gekoesterde doeken zijn geworden als ze niet in het Rijks hadden gehangen? Je kunt het met reden betwijfelen – en Hiëronymus Bosch, was dat trouwens niet een Duitser?