Heimwee naar de witkwast

Kritiek

Niet iedereen is jubelend over de renovatie van het Rijksmuseum. De witte muren waren beter, vinden architect Moshé Zwarts en historicus Auke van der Woud.

De koningin zal op 13 april de officiële opening verrichten van het gerenoveerde Rijksmuseum. Bij oplevering van het gebouw, in 1885, weigerde haar overgrootvader hetzelfde te doen. Koning Willem III vond het een wanstaltig gebouw, waarmee hij de mening van een groot deel van de bevolking vertolkte.

Opvallend genoeg lijkt er nu helemaal geen controverse meer over het gebouw te bestaan. Of toch? Ja, toch. Er zijn nog altijd architecten en architectuurhistorici die de kritiek van destijds delen. Ze vinden het onbegrijpelijk dat juist de afleidende ornamenten en veelkleurigheid van het gebouw zijn hersteld.

Architectuurhistoricus Auke van der Woud noemt de kritiek uit de negentiende eeuw nog altijd actueel en geldig. Pierre Cuypers werd een slechte kleurkeuze verweten, een overdadige ornamentiek en een belegen, katholieke beeldtaal. „Cuypers was een begenadigd kerkenbouwer, maar hij wist niet hoe je schilderkunst tot zijn recht moest laten komen.”

De emeritus hoogleraar in Groningen wijst erop dat niet alleen koning en bevolking woedend reageerden. Ook in architectuurkringen kreeg het gebouw een kille ontvangst. „En dat was begrijpelijk.” Ze voelden zich ook gepakt. De opdracht was immers geweest: een museum in de Nederlandse renaissancestijl waarin de hoogtepunten van de Hollandse zeventiende-eeuwse schilderkunst tot eer en glorie van de natie waren te bewonderen. De protestantse bouwmeester Lucas Eberson had zo’n ontwerp gemaakt. Cuypers, die toen voornamelijk bekend was als bouwer van katholieke kerken en van verbouwer van oude ruïnes tot Disneykastelen avant la lettre, kreeg de opdracht. Opvallende bijkomstigheid: hij was vriend van de hoogste ambtenaar op het ministerie die over de opdracht ging, de onbetwiste opperbobo der kunsten uit die tijd, Victor de Stuers. Net als Cuypers was De Stuers een katholiek uit Limburg.

Onder vakbroeders was de argwaan tegen Cuypers daarom al vanaf het begin gerezen. Toen vervolgens bleek dat de nationale schatkamer door Cuypers tot „pseudokathedraal” was gemaakt, waren ze boos. Netjes geformuleerd was hun kritiek: Cuypers heeft het land opgezadeld met een museum als een kerk, opgericht in de neogotiek die hij normaal gebruikte voor echte kerken, maar die hij dit keer ongelukkig had vermengd met elementen uit de renaissancestijl. Willem III sprak afkeurend van „dat klooster”. De vergelijking van de eregalerij met het middenschip van een katholieke kerk vond hij zelfs nog te vleiend. Een „boterhal”, dat was het. Na oplevering zou hij nooit meer een voet in het museum zetten.

Van der Woud: „Het gaat niet alleen om dat katholieke, maar ook om de hang naar het verleden, het misplaatst nostalgische. Je moet je voorstellen: in die tijd was er eindelijk in Nederland een dynamiek op gang gekomen die vergelijkbaar was die in de gloriedagen van de natie, de Gouden Eeuw. Er kwam riolering, elektriciteit, gemotoriseerd verkeer. De vooruitgang had de samenleving in zijn greep. En wat deed Cuypers? Hij zette ambachtsmannetjes op de façades van het Rijks, als verheerlijking van de middeleeuwse gildes. Hij bracht tegeltableaus aan met koning Clovis en andere sullige historische verhaaltjes van voor de Reformatie, de tijd waaraan ons land zijn nationale identiteit heeft te danken. Dat viel destijds niet goed.”

Zolang Cuypers leefde, mocht niets aan het gebouw veranderen zonder zijn toestemming. Vervolgens werd hij 94 jaar oud. Van der Woud noemt het „tekenend” dat direct na zijn dood, in 1927, de directie begon te verbouwen. En de witkwast kwam uit de kast. Opeenvolgende directeuren zetten daarna de verwijdering van Cuypers uit het interieur voort. Schmidt Degener, de belangrijkste directeur die het Rijks heeft gehad, noemde de wandschilderingen die Cuypers had laten aanbrengen zelfs „een belediging” voor de schilderijen in het Rijks, van grootheden als Frans Hals, Johannes Vermeer en Rembrandt van Rijn.

Overdreven katholiek

De 76-jarige architect Moshé Zwarts is het met Schmidt-Degener eens én met Willem III. De architect, bekend van bruggen, viaducten en voetbalstadions als die in Alkmaar en Den Haag, ziet met afgrijzen alle golven van jubel die deze dagen door Nederland gaan. Hij vindt het onbegrijpelijk dat het „intense en overdreven katholieke karakter” van het gebouw niet meer mensen tegen de borst stuit: „We praten hier wel over het belangrijkste museum van Nederland. Grote Nederlandse kunstenaars als Rembrandt en Frans Hals zouden zich omdraaien in hun graf als ze zouden zien waar ze al die jaren hebben gehangen. Mensen gaan vaak lachen als ik dit zeg, maar ik meen het. En wat doet deze verbouwing? Die versterkt dat katholieke karakter.”

Moet het gebouw dan tegen de grond? Nee, dat hoeft niet. Zwarts: „Maar restaureren voor 375 miljoen euro is het andere uiterste. Voor de helft van het geld hadden we een spectaculair, prachtig museum kunnen bouwen. Dat had recht kunnen doen aan onze meesters en zou van alle moderne gemakken zijn voorzien. Dit gebouw had je dan kunnen transformeren tot hotel.”

Van der Woud: „Dit is met stip de duurste restauratie die Nederland heeft meegemaakt. Alsof het om de schatten van Toetanchamon gaat. Dat kan, dat mag, maar dan is het wel vreemd dat er geen enkele serieuze discussie aan vooraf is gegaan.”

Dat, zo blijkt, is de grootste teleurstelling van de twee. Zwarts en Van der Woud menen dat de negentiende eeuw in dat opzicht positief afsteekt bij nu. Van der Woud: „Er is eindeloos veel heisa gemaakt over de fietstunnel, maar niet over de vraag: hoe presenteren wij de beste kunst van dit land?”

Van der Woud zegt wel een redelijk idee te hebben hoe het vernieuwde Rijks eruit zal zien: in september kreeg hij voor het laatst een rondleiding. „Maar toch schrik ik altijd weer. Bij jullie in de krant zag ik laatst een foto van de plek waar de Nachtwacht weer komt te hangen. Dan denk ik: heb medelij! Waarom moet ons belangrijkste schilderij in die koektrommelellende? Met die namen erboven van onbeduidende dorpjes, in van die truttige letters, met díe kleuren.”