Er is plek zát, maar niet op de populaire scholen

Vandaag horen leerlingen in Amsterdam of ze naar de school van hun eerste keus kunnen. Er is weer „lotingstress”. Maar zijn er écht te weinig plekken?

Meer dan twintig nieuwe docenten heeft het Amsterdamse IJburg College dit jaar aangenomen. Dat deed de school voor vmbo-vwo vorig jaar ook al. Alles om de toestroom van brugklassers aan te kunnen.

Terwijl verderop een tweede gebouw uit de grond wordt gestampt, worden in het eerste pand nieuwe klassen gevormd. De school groeit waar ze kan, maar toch staan er voor komend schooljaar alweer 140 kinderen op de wachtlijst.

Volgens voorlopige cijfers van de scholen zijn ongeveer vijfhonderd kinderen in Amsterdam bij de eerste ronde niet ingeloot op de school van hun eerste keus. Werd vroeger vooral geloot voor de gymnasia, de laatste jaren zijn de wachtlijsten in Amsterdam voor vmbo en havo minstens net zo lang. Soms zelfs langer.

De stichting Vrije Schoolkeuze Amsterdam (VSA) is het zat. In een brief riep de stichting deze week onderwijswethouder Pieter Hilhorst op tot actie.

„Die lotingstress moet zo snel mogelijk ophouden”, vindt ook Hilhorst. De scholen hebben volgens hem verzuimd te zorgen voor genoeg goede plekken. Vooral leerlingen die in de eerste ronde worden uitgeloot zijn nu de dupe, zegt hij.

„Herhaaldelijk” heeft de wethouder de middelbare scholen, verenigd in koepelorganisatie Osvo, gevraagd er iets aan te doen. Maar die hebben te weinig gedaan, zegt hij. „Er zijn nog steeds te weinig plekken die voor leerlingen en ouders goed genoeg zijn.” Ouders hoeven volgens hem geen genoegen te nemen met élke school die een voldoende krijgt van de onderwijsinspectie.

Daarom wil de wethouder dat het voor aantrekkelijke scholen makkelijker wordt de capaciteit uit te breiden. Ook wil hij dat het simpeler wordt een nieuwe school te beginnen. Nu wordt nog gekeken of er niet al een school van dezelfde signatuur in de buurt staat: openbaar, protestants-christelijk, etcetera.

„Een aantal van die twintigste-eeuwse eisen moeten we versoepelen”, zegt Hilhorst. „Als ik nu het vernieuwende idee heb om een algemene school te beginnen met een brugklas van drie jaar, is dat niet mogelijk als in een straal van tien kilometer al een andere algemene school staat.” Omdat het om landelijke wetgeving gaat, wil hij er met de staatssecretaris over gaan praten.

De laatste jaren neemt het aantal brugklassers in het land toe, waarschijnlijk door de kleine geboortegolf van rond de millenniumwisseling. Maar dat is niet het probleem. In de grote steden, en in een aantal kleinere, wordt de ene school overspoeld met aanmeldingen, terwijl bij de andere school zich maar een paar leerlingen melden. En dat is wél een probleem.

Voor de havo van het Marcanticollege in Amsterdam-West, bijvoorbeeld, schreef niemand zich in, terwijl het zestig plaatsen had. Elders in de stad zijn lange wachtlijsten voor populaire havo-scholen.

Daarom vindt Osvo-bestuurder Saskia Grotenhuis dat Hilhorst maar „het halve verhaal” vertelt. In Amsterdam, waar zij directeur is van de Openbare Schoolgemeenschap Bijlmer, zijn meer dan genoeg plekken om alle uitgelote vmbo’ers binnen te halen, zegt zij. Ze vindt het nog maar de vraag of er nieuwe klassen moeten worden gemaakt op populaire scholen, zoals Hilhorst wil. Er zijn toch al genoeg plekken op goede, minder populaire scholen?

Daar mogen kinderen dus ook voor kiezen, zegt Grotenhuis. Haar definitie van kwaliteit: het oordeel van de onderwijsinspectie. Maar veel ouders willen hun kind niet op een school die bijvoorbeeld te zwart is, of die niet hoog staat in ranglijstjes. Zoals de jaarlijkse lijst van hoogleraar Jaap Dronkers, die de Volkskrant tegenwoordig publiceert.

Hilhorst moet volgens Grotenhuis niet meegaan met ouders die zich „baseren op eendimensionale gegevens”. Hij moet juist laten zien dat minder populaire scholen ook heel goed kunnen zijn. „Scholen winnen aan kwaliteit en populariteit als de leerlingpopulatie diverser wordt”, zegt zij.

Maar ouders laten zich niet zomaar overtuigen. Ze kijken naar meer dan het inspectieoordeel. Ze zijn mondiger geworden, zegt Menno van de Koppel van de Amsterdamse Onderwijs Consumenten Organisatie (OCO). „Dat wordt ook steeds makkelijker door de vele informatie die beschikbaar is over scholen. Daarmee kun je de schoolkeuze al terugbrengen tot een paar scholen, waarvan je de open dagen bezoekt.”

Ouders van kinderen met vmbo-advies kiezen graag voor scholen die ook een havo in huis hebben. Ze hopen dat hun kind kan opklimmen naar een hoger niveau. Dat verklaart ook gedeeltelijk de populariteit van het IJburg College, zegt schoolleider Nico Moen. „Als ouder denk je graag omhoog voor je kind.”

Ook een bijzondere profilering kan een school gewild maken. Zoals het Media College, en het Wellantcollege dat als thema ‘groen’ en ‘duurzaam’ heeft. Of een school wordt populair om haar goede eindexamencijfers, of zonder duidelijk aanwijsbare reden. Lastig voor scholen, om daar op te anticiperen.

Eerder deze week dreigden ongeveer 675 Amsterdamse kinderen te worden uitgeloot. Maar nadat verschillende lotende scholen hun capaciteit hebben uitgebreid, vooral op havo- en vwo-niveau, zijn dat er nu dus vooralsnog vijfhonderd. 175 leerlingen konden alsnog terecht op de school van hun eerste keus. Daarnaast hebben verschillende scholen extra klassen gemaakt voor kinderen die zijn uitgeloot. Pieter Hilhorst vindt dit „een mooi succes. Dit laat zien dat het nut heeft om je er tegenaan te bemoeien.”

Het héle probleem is nog niet opgelost. Vijfhonderd kinderen, vooral vmbo’ers, moeten nog steeds op zoek naar een andere school. Terwijl de school van hun tweede keus waarschijnlijk al vol zit. En met een beetje pech de derde keus ook.