Engeland telt nu zeven klassen

Klassenbesef blijft van belang in de Britse samenleving, een gewone jongen eet geen supper. Maar zo overzichtelijk als vroeger, is het niet meer.

„Ik ken mijn plaats” heet een beroemde sketch van John Cleese, Ronnie Barker en Ronnie Corbett uit 1966. Cleese was upper class, Barker behoorde tot de middenklasse en Corbett was een arbeider. Hun afkomst, inkomen en werk bepaalde die hiërarchie.

Zo overzichtelijk is de Britse klassenmaatschappij niet meer. De arbeidersklasse verdween met de zware industrie, en werkt nu in supermarkten en callcenters. De upper class durft zichzelf in het openbaar niet meer zo te noemen, en spreekt liefst over ‘upper’ middle class. En zo dijde de middenklasse uit.

In een poging de klassen te herordenen, ondervroegen sociologen Fiona Devine van de University of Manchester en Mike Savage van de London School of Economics, 160.000 Britten. Ze kwamen tot zeven verschillende klassen: van elite tot precariaat. Naast inkomen en werk, tellen nu ook culturele interesse en de vriendenkring mee. Het leidde gisteren, toen hun ‘klassenquiz’ online kwam te staan bij de BBC, tot grote opwinding.

Klassenbesef blijft belangrijk in de Britse samenleving. Het vergemakkelijkt of bemoeilijkt toegang tot de goede scholen, en de universiteit. Het bepaalt volgens sommigen nog altijd wie de macht heeft, en wie niet. Hoe premier John Major, zoon van een trapeze-artiest, in 1990 ook hoopte op een „klassenloze maatschappij”. Hoe premier Tony Blair de Britten in 1999 ook voorhield dat „de klassenoorlog voorbij” was. Hoe premier David Cameron ook probeert te laten zien dat hij, ondanks zijn geprivilegieerde afkomst en opleiding, een ‘gewone jongen’ is.

Maar een gewone jongen zou bijvoorbeeld nooit het woord ‘country supper’ gebruiken, zoals Cameron wel doet – een country supper kan je alleen houden als je onderscheid kunt maken tussen je huis in de stad en op het platteland.

Iemand uit de arbeidersklasse heeft het over ‘tea’, als het gaat om het avondeten. Een familie uit de middenklasse spreekt over ‘dinner’. En de upper middle class en upper class over ‘supper’. Dinner is voor hen een formeel diner met tafellaken en meerdere gangen.

Dergelijke nuances in woordgebruik, accent en kleding, waardoor een Brit weet tot welke klasse de ander behoort, gebruikten Devine en Savage niet bij hun onderzoek. Ze hielden het bij onder meer huisbezit, theaterbezoek, en liefde voor klassieke muziek en sociale media.