Alles lijkt de adem in te houden voor wat komen gaat

De grote verandering. Revoluties in de Russische Schilderkunst 1895-1917. T/m11/8, Bonnefantenmuseum, Maastricht. Di t/m zo 11-17u. Inl. www.bonnefanten.nl. ****

Picasso deed het toen hij jong was. En ook de piepjonge Michail Larionov doet het. Hij schildert aan het begin van de twintigste eeuw een groepje eenden in het gras. Larionov zit nog op de kunstacademie in Moskou. Eén van de eenden valt half buiten beeld - daar waar de kunstenaar zijn compositie niet goed heeft ingeschat. De ander staat rechtop, maar steekt tegelijkertijd zijn kop in een kroes met voer.

Alles aan de eenden, aan de graspollen onder hun zwemvliezen, hun snavels en veren, is in een salonfähige, impressionistische stijl geschilderd. Alles is zacht en ijl, kleuren lijken te trillen in het zonlicht. Maar dan doet Larionov iets geks. Hij doopt zijn penseel in knaloranje en trekt een vette lijn om de eenden heen.

Die provocatieve oranje streep kun je als illustratie zien van de eigengereidheid waarmee Larionov (1881-1964) later het internationale, avantgardistische kunstpodium betreedt. Tussen de snateraars in het gras en de uit elkaar spattende, rayonistische schilderijen vanaf ongeveer 1912 zit maar een jaar of zeven. Maar wat een wereld van verschil.

Dat valt te zien op de prachtige tentoonstelling De Grote Verandering, in het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Het is het kroonstuk van het Rusland-jaar, dat in 2013 door tal van musea en over culturele podia in Nederland raast. De door gastconservator Sjeng Scheijen ingerichte mega-expositie richt met bijna negentig werken uit belangrijke Russische musea de aandacht op een stiefkindje. Dat stiefkindje is de periode die voorafgaat aan de hoogtijdagen van het avantgardisme, de jaren voordat Malevitsj zijn suprematistische Zwarte Vierkant schildert en Tatlin met zijn constructivistische experimenten begint.

De expositie opent met de helaas door muziek begeleide, pas ontdekte, hyperrealistische glasdia’s die de Russische fotograaf Sergej Prokoedin-Gorski tussen 1907 en 1915 maakt in opdracht van de laatste tsaar van Rusland. In haarscherpe en onwaarschijnlijk kleurrijke beelden legt de fotograaf de intrede van het industriële tijdperk vast. Frontale opnames van houtzagerijen, spoorbruggen tussen dennenbossen en primitieve stuwdammen worden afgewisseld met portretten van de bewoners van dat onmetelijke Tsaristische rijk. Met de wetenschap van nu lijkt het alsof alles en iedereen op die foto’s zijn adem inhoudt voor wat komen gaat.

De tentoonstelling verderop is stil en stemmig. In een schemerachtig paarse vleugel links lichten schilderijen op als door kaarslicht verlichte ikonen. Een okergele, lichte vleugel rechts toont vooral werken uit de nieuwe tijd.

Het rap moderniserende Rusland is vlak voor de Revolutie een snelkookpan. Symbolisme, realisme, impressionisme, neo-primitivisme, kubo-futurisme en natuurlijk suprematisme buitelen om en door elkaar heen. Artistieke groepen als Ruitenboer, Ezelstaart of Mir Iskoestva (rondom Sergej Diaghilev) worden opgericht en afgebroken. Tijdschriften floreren. Iedereen gaat naar elkaars tentoonstellingen. Kunstenaars reizen naar het buitenland, laten zich inspireren door Gauguin, Matisse, Cézanne, Van Gogh en Picasso.

Op de tentoonstelling zijn naast de bekende namen van Gontsjarova, Kandinsky, Malevitsj en Popova, ook die van veel onbekendere collega’s te zien. Zij demonstreren bij elkaar hoe ongeremd creatief het kunstklimaat is. Konstantin Korovin schildert in 1894 in het Noorse Hammerfest het noorderlicht op een manier die lijkt alsof Breitner en Munch de kwast aan elkaar hebben doorgegeven. Archip Koeïndzji leeft zich uit in zwaar symbolistische, van ondergaand zonlicht zinderende steppelandschappen. Van Malevitsj zelf is er naast het latere suprematistische werk veel vroeg symbolistisch werk. En met de in Diaghilevs kringen verkerende Nikolaj Roerich duik je onder in de toverachtige wereld van Russische sprookjes en fabels. Het zijn dezelfde motieven waar een filmmaker als Andrej Tarkovsky meer dan driekwart eeuw later zijn inspiratie vindt.

De twee decennia voor de Revolutie wordt er druk gediscussieerd over de vraag hoe het verhalend realisme van Repin en andere negentiende-eeuwse reuzen bestreden kan worden. Wat is er eigen aan de Russische kunst? In plaats van te bewonderen wat is geweest moeten kunstenaars, zo vindt Malevitsj ‘weg van de vlakheid van een serene en decoratieve kunst.’

In die opdracht zijn de pre-sovjetkunstenaars van ‘de grote verandering’ uitstekend geslaagd. Vlakheid is afwezig. Hoe kan het ook anders, als alles borrelt en kookt?