Weemoedig en oorverdovend

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: ezels.

Balkt ze of balkt ze niet? Na anderhalf jaar zou ik mijn rafelige ezelin weer zien. Zou ze me herkennen en, dol van blijdschap, haar vreugdekreet slaken? Het is een groot misverstand dat ezels ‘IA’ zeggen. Het geluid van een roestige waterpomp komt beter in de buurt. Uit het diepst van hun ziel halen ze een weemoedige roep naar boven. Oorverdovend. Je schaamt je bijna voor de buren.

Op dat balken had ik mij verheugd. Ik geloof in de vriendschap tussen mens en dier. Elkaar warm houden en krabben op plekken waar je zelf niet kan komen – het lijkt me de definitie van een goed huwelijk. En mijn ezelin en ik, wij hebben een heel goed huwelijk. Ik weet hoe ik haar moet laten zuchten: heel hard haar hals strelen. En zij geeft me slappe knieën door met haar zachte lippen in mijn nek te knabbelen.

(In het weiland van mijn ezelin staat ook mijn shetlander, even oud als mijn jongste dochter (14) en sinds acht jaar in ons gezin. Als het hier de hele tijd over de ezelin gaat, en niet over deze shetlandermerrie, dan komt dat omdat ik vind dat je als mens ook van je huisdier moet kunnen scheiden. Mijn jongste dochter huilt hete tranen, maar ik ben van mening dat een eigenzinnige, hoogbegaafde pony met bindingsangst – hoewel beeldschoon en extreem grappig – toch niet zo goed in ons meisjeshuishouden past. Ze is dus weer op de markt.)

Ik relativeer het heus wel hoor, die vriendschap tussen mens en dier. Ik heb ooit een robothondje over de vloer gehad, en daar had ik na een paar weken ook gevoelens voor. Ik weet dus dat liefde – of het nu voor een hamster, een ezel of een verkering is – helemaal in je eigen kop zit.

Dus ik denk heus niet dat mijn ezelin kon ‘voelen’ dat ik zojuist naar de Franse notaris was geweest om afstand te doen van het huisje dat ik samen met mijn ex bezat. Natuurlijk kon ze niet weten dat ik buikpijn had omdat ook het Noord-Franse landschap mij nu niet langer toebehoort. Weet zij veel dat ik hou van het geluid van een laars die wegzakt in de modder. Van lopen door dikke mist en hoe de geur van houtvuur dan in het dorp hangt.

Mijn ezelin weet waarschijnlijk ook niet dat ik het was die haar heeft gered toen ze in een kudde paarden, zwaar verwaarloosd, het pispaaltje stond te wezen. Eindeloos veel uren heb ik met haar doorgebracht, net zo lang tot ze het de moeite waard vond om me op haar doorgegroeide hoeven, voetje voor voetje, te volgen. Ik vond een nieuwe wei met stalletje voor haar en liet haar hoeven bekappen. Maar dat het dankzij mij is dat ze nu weer recht op haar voeten staat, dat weet mijn ezelin natuurlijk niet.

Ik kan haar ook niet vertellen dat ze binnenkort naar Nederland verhuist, dat ze daarom laatst die tetanusprik kreeg. Dat het al met al nog een heel gedoe is, omdat ze geen paspoort heeft. Hoe kan ik haar duidelijk maken dat ze naar de Ezelsociëteit in Zeist gaat, een opvangadres voor nooddruftige ezels? En dat ze, als ze daar na een reis van vijf uur over de laadklep de trailer uitstapt, zal denken dat ze droomt: een heel terrein vol familie. Een tandarts zal naar haar gebit kijken. Als ze medicijnen nodig heeft, krijgt ze die op een gemberkoekje toegediend. Met haar stijve rug mag ze onder een warmtelamp staan. Er zal altijd vers, goudgeel stro voor haar zijn en een dekentje als het koud is.

Stel nu dat mijn ezelin dit allemaal wel had geweten, of, voor mijn part, gevoeld, zou ze dan wel hebben gebalkt?