We zijn er niet met een sociaal akkoord

In de goede jaren is geld verkwist, ga het nu eens echt investeren, zeggen Bas van Bavel, Agnes Jongerius en Hans Schenk.

Foto Toussaint Kluiters/ANP

Gaat het sociaal akkoord, die succesvolle opleving van het overlegmodel, er komen? En zijn we er dan? Wij menen van niet – bij lange na niet.

Elke ingreep in de economie is pas effectief als deze uitgaat van een juiste diagnose. Zit ons land in de problemen omdat de WW te luxe is? Omdat werknemers zo duur zijn? Omdat ze moeilijk zijn te ontslaan? Omdat ze al om half vijf naar huis gaan? Omdat achtereenvolgende kabinetten onvoldoende de hand op de knip hebben gehouden?

Daar liggen niet de echte vraagstukken van onze economie. Die zijn veel fundamenteler.

Al jaren is er onvoldoende aandacht voor kennis en innovatie. Waarom is die aandacht niet gegeven? Immers, de middelen waren de laatste vijftien jaar dankzij de sterk gestegen productiviteit overvloedig beschikbaar. Maar bedrijven hebben er telkens iets anders mee gedaan dan gehoopt. Ze hebben enorm veel geld verkwist: aan speculatieve overnames en aan hoge beloningen voor de bedenkers en verhandelaars van de bijbehorende behendige financiële constructies. Kredieten, die werden verkocht en doorverkocht, fungeerden als virtueel onderpand voor een enorme groei aan speculatieve bestedingen, in vastgoed, in waardepapier, en in overnames. Net zoals dat het geval was aan het einde van de jaren twintig van de vorige eeuw.

Dit economisch model is nu voor de tweede keer in de geschiedenis spaak gelopen. De belastingbetaler moet ervoor opdraaien, terwijl hem verteld werd dat alles juist bedacht was om hem rijker te maken. Is het raar dat hij cynisch is geworden? Voor een samenleving is het cynisme van de gewone burger beschadigend. Net zo beschadigend als cynisme van een gewone werknemer voor een onderneming. Recent onderzoek van de Boston Consulting Group laat zien dat de sterk gerezen beloningsverschillen binnen ondernemingen significant negatieve effecten hebben op arbeidsproductiviteit en innovatie. Ook in de Nederlandse samenleving als geheel zien we diepe verschillen in welvaart: ongelijkheid in inkomen, maar nog veel meer in vermogen. De Gini-coëfficiënt die de verdeling daarvan uitdrukt, ligt in Nederland nu ruim boven de 0,8 op een schaal van 0 tot 1. Een van de hoogste in de westerse wereld, op eenzelfde hoog niveau als in de Verenigde Staten. De allerrijksten hebben hun vermogens enorm vergroot en deze ook relatief ongeschonden door de recente crisis geloodst, terwijl de overige Nederlanders hun vermogen hebben zien slinken. De helft van de huishoudens heeft nu geen vermogen of zit in de schulden.

De ‘outrage factor’, voor het eerst gedocumenteerd door Amerikaanse onderzoekers als Bebchuk, heeft zich via de moderne media razendsnel door de samenleving verspreid. Het vertrouwen van de burger in de maatschappelijke processen is gekelderd; hij voelt zich gefopt of miskend. Grootverdieners lijken doof voor de gevoelens van gewone mensen over beloningen en bonussen. De gewone burger ziet heel goed dat er geen rechtvaardiging is voor deze beloningen. Maar vaak blijft de onvrede onuitgesproken en leidt zij er vooral toe dat mensen niet bereid zullen zijn zelf offers te brengen. Dat leidt tot een serieuze aantasting van het draagvlak dat nodig is voor een succesvolle overlegeconomie.

Nog een ander proces heeft de fundamenten van het overleg aangetast – in ons land meer dan in andere West-Europese landen. De vormen van samenwerking die ons vanaf de late negentiende eeuw een brede participatie, welvaart en zekerheid hebben gebracht – zoals de coöperaties, onderlinge ziektekostenverzekeringen en woningbouwcorporaties – zijn de afgelopen jaren gesloopt, gedwongen te opereren als marktpartij of vermalen tussen staat en markt. Dit proces wordt nog versterkt door de invloed van de EU die een vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal stelt boven samenwerking om maatschappelijke belangen te beschermen.

Overleg vraagt om het werkelijk hervormen van de sectoren waar de problemen zijn ontstaan, en de aanpak van de ‘financialisering’ van onze economie. Het vraagt om het versterken van het burgervertrouwen – en dat is méér dan alleen consumentenvertrouwen. Er moet vooruitzicht zijn op een aansprekende toekomst voor iedereen. Nu worden slechts bestaande arrangementen aangepast aan krappere financiën, op een verdedigende en inspiratieloze wijze. De regering neemt allerlei ‘boodschappenlijstjes’ in ontvangst en gaat vervolgens passen en meten. Een visie op een toekomstige configuratie van de Nederlandse economie en samenleving wordt daarmee niet neergelegd. En juist die is nodig.

We worstelen nu niet alleen met de praktische problemen van de huidige crisis, maar ook met meer fundamentele opgaves, en dat in een mondiale context die steeds competitiever wordt. Hoe voorkomen we dat verlies aan concurrentiekracht ons over een tijd dwingt tot weer een volgende bezuinigingsronde? Hoe zorgen we ervoor dat schulden niet worden gefinancierd met nieuwe schulden? Hoe vergroten we succes en slagkracht van onze economie, juist in deze moeilijke omstandigheden?

Door een omschakeling naar een meer innovatieve, meer duurzame economie. Drie elementen zijn noodzakelijk om zover te te komen: uitbouw van menselijk kapitaal, verduurzaming van het economisch handelen en bevordering van brede participatie. Recent economisch en economisch-historisch onderzoek laat zien dat juist deze drie terreinen cruciaal zijn voor een succesvolle economie die ook internationaal concurrerend blijft.

Vergeleken met andere landen presteert Nederland echter precies op de drie genoemde terreinen matig. Dat is het gevolg van de langdurige dominantie van een ideologie waarin private schijninvesteringen voorrang kregen boven investeringen in projecten van maatschappelijk belang. De Nederlandse samenleving, bedrijfsleven incluis, investeert relatief weinig in onderwijs en de kwaliteit van arbeid. Het aandeel van het Bruto Binnenlands Product (BBP) dat de Nederlandse overheid uitgeeft aan onderwijs ligt lager dan in Frankrijk en Groot-Brittannië, en veel lager dan in de Scandinavische landen. Ook het BBP-aandeel dat wordt uitgegeven aan Research & Development, en dan met name het aandeel van het bedrijfsleven daarin, ligt volgens OESO-cijfers in Nederland laag.

Kijken we naar de ecologische duurzaamheid van de economie, dan doet Nederland het ook slechter dan het gemiddelde van de vijftien kernlanden van de Europese Unie. Gaat het om het aandeel duurzame energie en uitstoot van CO2, dan scoort Nederland matig volgens cijfers van het CBS. Het momenteel bij de SER in voorbereiding zijnde Energieakkoord is een stap in de goede richting, maar meer is nodig.

Dat kan door de drie genoemde opgaves aan elkaar te verbinden, waardoor solidariteit wordt verbonden aan innovatiekracht, en maatschappelijke duurzaamheid aan economische concurrentiekracht. Maatschappelijke partijen en burgers zijn pas bereid offers te brengen als zij weten dat ze zo hun toekomst veilig stellen. Niet om een bezuinigingsopgave op te lossen, maar om Nederland innovatief en duurzaam te maken en zo de dieperliggende fundamenten te versterken. Dat creëert welzijn op de lange termijn.

Hervormingen van de arbeidsmarkt, woonsector, het fiscaal stelsel en de financiële sector kunnen hierbinnen heel goed een plaats krijgen, maar met name als onderdeel van dit gezamenlijke doel. Zo valt ook draagvlak te verkrijgen voor investeringen in innovatie en kennisontwikkeling. Niet als doel op zichzelf, maar als cruciale schakel in dit proces en met de steun van werkgevers, werknemers, politici, het maatschappelijke middenveld, wetenschappers en burgers. Dat draagvlak is nodig, omdat dit proces niet kan slagen door de rekening bij één partij neer te leggen, maar alleen door een gezamenlijke inspanning. Pas dan kan er echt gesproken worden van een succesvolle opleving van het overlegmodel.

Bas van Bavel, Agnes Jongerius en Hans Schenk zijn verbonden aan de Universiteit Utrecht.