oogheid,

Tot aan de troonswisseling staat er elke week in Opinie&Debat een Brief voor de Koning. Vandaag is deze brief van journalist en schrijver Raymond van den Boogaard.

ascinerend aan het ambt dat u binnenkort gaat bekleden, koning van Nederland, is vooral de dubbelzinnigheid. ‘Koning zijn’ suggereert immers dat je ergens de baas van bent. Maar in de Nederlandse verhoudingen is het tegendeel het geval.

Dat is in zekere zin typerend voor onze samenleving: gezagsdragers met een autocratische stijl is in Nederland over het algemeen geen lang leven beschoren. Maar het is nog erger voor u en uw familie. Tot in uw privéleven wordt uw eigenmacht ingeperkt – iedere Nederlander mag weten waar hij een buitenhuisje koopt, maar u niet.

Zelfs de vrijheid van godsdienst – nochtans een grondrecht – gaat voor u niet op: toen u een van huis uit katholiek meisje wilde trouwen, moest zij als de wiedeweerga Nederlands Hervormd worden, omdat er anders een probleem zou ontstaan met de traditie van bevindelijk protestantisme, waarop de Nederlandse onafhankelijkheid én de positie van de Oranjes mede zijn gebaseerd.

Ik wil hier geenszins aanmatigend zijn, of afbreuk doen aan de voortreffelijke wijze waarop uw vier directe voorgangers in het ambt – allen vrouwen, overigens – aan het koningschap invulling hebben gegeven. Maar uw paradoxale situatie als vorst zonder gezag lijkt mij psychisch een zware belasting voor wat de generatie van mijn grootouders ‘een gezonde Hollandse jongen’ placht te noemen.

Volgens mij bent u zich daarvan zeer wél bewust en is het zelfs de reden dat u te elfder ure besloten hebt om u niet koning Willem IV maar koning Willem-Alexander te laten noemen. Als ik u was, dan hield ik de herinnering aan koning Willem III ook inderdaad zoveel mogelijk op afstand. Niet zozeer omdat deze de geschiedenis is ingegaan als een wellustige botterik, maar eerder omdat je achter zijn grillige uitvallen toch ook de benauwenis van een door en door ongelukkig en ingeperkt man kon vermoeden. Het was niet niks: eerst een door dynastieke overwegingen ingegeven, buitengewoon ongelukkig huwelijk moeten sluiten met je nicht, en na haar overlijden onder zware politieke druk moeten afzien van een huwelijk met een leuke actrice.

Uw moeder noemde, in de televisietoespraak waarin ze haar troonsafstand aankondigde, de aanstaande herdenking van het jaar 1813 als een goede aanleiding om het vorstelijk stokje door te geven. Bij de herdenking van een nieuw begin van de Nederlandse staat past een nieuwe koning, leek haar redenering.

Het is natuurlijk de vraag in welk opzicht 1813 een nieuw begin was. Niet van de democratie in ieder geval – die was al een feit bij de Bataafse Staatsregeling van 1798, nadat uw voorvaderen in 1787 nog met Pruisische troe-pen en een terreurcampagne de democratische beweging de kop hadden ingedrukt.

Maar in dynastiek opzicht was 1813 natuurlijk wel degelijk een belangrijk jaar: voor het eerst sinds het afzweren van de Spaanse koning Philips II in 1581 kreeg Nederland weer iemand die zich ‘soeverein vorst’ mocht noemen. ‘Noemen’ dus, maar niet ‘zijn’. Want achter dit fraaie etiket verborg zich meteen al de dubbelzinnige werkelijkheid van een polderoplossing.

Ofschoon koning Willem I het zelf anders wilde zien, bleek het koningschap vooral een symbool voor het begraven van de politieke tegenstellingen uit de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waarin de Oranjes – als zelfstandige militaire ondernemers met koninklijke aspiraties – eeuwenlang een stevig partijtje hadden meegeblazen. Onder de leus ‘alle aanzienlijken komen in de regering’ werd in 1813 de permanente factiestrijd die de Republiek had gekenmerkt immers effectief begraven. En daarmee kwam ook meteen een eind aan de mogelijkheden voor uw familie om door politiek manoeuvreren voor eigen rekening machtspolitiek te bedrijven. De toekenning van het predicaat ‘koning’ was daarvoor een geringe prijs, de soevereiniteit bleef bij de burgerij.

De Republiek van voor 1795 was – door hedendaagse bril bezien – 214 jaar lang een oligarchische staatsstructuur in voortdurende staat van latente burgeroorlog, met af en toe een uitbarsting. Het Koninkrijk sinds 1813 daarentegen is een stabiele staat, al heeft het toch zeker een eeuw geduurd voordat het democratisch gehalte, qua stemrecht bijvoorbeeld, weer enigszins het niveau van 1798 haalde.

Die stabiliteit – niet zelden overgaand in suffigheid – is in niet geringe mate te danken aan de opofferingen die het geslacht van Oranje zich sedert 1813 – gewild of ongewild – getroost heeft, als symbool van imaginaire nationale eenheid, als sublimatiepunt voor tegenstellingen en ongenoegens.

Ik ben het dan ook niet eens met republikeinen, die studentikoos het koningschap willen afschaffen omdat het een in de democratie verdwaald feodaal element zou zijn. Het Nederlandse koningschap is juist essentieel voor de Nederlandse moderniteit – ook al betreft het hier dan een dubbelzinnige polderoplossing van een soort dat je niet aan buitenlanders kunt uitleggen. U bent straks het anker van vrede in een historisch en potentieel gewelddadig land.

Uw zelfopoffering is niet voor niets. Ik wens u veel succes.

Hoogachtend,

Raymond van den Boogaard