Klunk, klunk, klunk: dit is Vlaanderen

De Ronde is meer dan een wielerkoers. Die moet je ruiken, voelen. En daarom ging een verslaggever op de fiets over het parcours van de Vlaamse hoogmis. Kwaremont, Paterberg, Kwaremont, Paterberg: gek word je ervan.

Klunk. Klunk. Klunk. Betonplaat – klunk – na betonplaat – klunk – na betonplaat – klunk – rolt onder mijn wielen door. Voor me liggen kilometers vol klunken: als het geen betonplaten zijn, dan wel kasseien, of karrensporen. Dit is Vlaanderen, het land waar licht lopende, brede asfaltwegen niet bestaan.

Het heet hier Otegem, geloof ik. Maar het kan ook zomaar Avelgem, Bellegem, Rollegem of Weetikveelwattegem zijn. Alle dorpen op de route van van de Ronde van Vlaanderen lijken op elkaar. Er is een kerk, een café en een frituur met formica tafeltjes. De huizen zijn opgetrokken met oranjebruine bakstenen, voor de ramen half dichtgeschoven rolluiken. Grootmoekes in bloemetjesjurken vegen hun stoepjes schoon. Dat is een halszaak. Als de Ronde voor je huis langs komt, dan moet je stoep schoon zijn.

De eerste honderd kilometer zijn voorspel. De favorieten van de Ronde doezelen morgen de eerste uren in de buik van het peloton, en hopen dat ze niet per ongeluk hun voorwiel parkeren in de voeg tussen twee klunk-klunk-betonplaten.

Pas in Oudenaarde begint de Ronde echt. Ik vis mijn kaartje uit mijn achterzak. Vier grote lussen zijn er uitgetekend. Brede banen zijn er vanaf nu nauwelijks meer, vlakke weg al helemaal niet. Volgens het kaartje is het vanaf nu links, rechts, op, af, draaien en keren: hier begint de achtbaan.

Wie het parcours niet heeft verkend, kan net zo goed thuisblijven. Koersen in Vlaanderen zonder parcourskennis is als de weg proberen te vinden in Almere-Muziekwijk zonder TomTom: kansloos. In een ver verleden heb ik zelf gekoerst in deze omgeving. Mijn tactiek was afgestemd op de Vlamingen om me heen. Als die nerveus werden en zich koste wat kost naar voren probeerden te werken, dan deed ik met ze mee. Die tactiek werkte overigens nooit. Ik reed continu achter de feiten aan – net als alle andere buitenlanders.

Het eerste echte bergje van de Ronde is de Taaienberg: die valt nog mee, omdat ik door het gootje kan fietsen. Op de Eikenberg, even verderop, kan ik met een beetje kunst- en vliegwerk om de kasseien heen rijden, maar daarna moet ik er aan geloven. In en rond Mater liggen vier kasseistroken zonder einde. Ze breken mijn benen, teisteren mijn zitvlak. Bij de vierde strook voel ik mijn handen niet meer: ik moet naar mijn stuur kijken om te weten dat ik het vasthoud.

Ik stop om mijn bidon te vullen bij het café op de hoek van het Materplein. Er zitten twee mannen aan een Trappist; het is nog voor twaalven, maar dat maakt niet uit. Ze hebben het uiteraard over de Ronde, want er is maar één gespreksonderwerp in Vlaanderen. Volgens de één wint Tom Boonen; de ander hoopt op Frank Vandenbroucke. Dat die al jaren dood is weet hij ook wel, maar „met VDB weet ge het nooit”. Het zou zomaar kunnen. Met Pasen staan er wel meer mensen op.

Na Mater volgen meer kasseien. En bergjes. En bergjes met kasseien. Ik passeer het paaltje waartegen mijn Ronde van Vlaanderen voor beloften ooit eindigde, en een schuur waarop wielrenners geschilderd staan – met Lance Armstrong voorop, in een gele trui. Dat hij die trui al heeft moeten inleveren, lijkt hier niet doorgedrongen: in Vlaanderen is doping in het wielrennen als zand in je zwembroek tijdens een strandvakantie – het hoort erbij.

Op de Oude Kwaremont wemelt het van de toerfietsers. Deze helling is een begrip. Elke wielerkoers van een beetje statuur gaat over de Oude Kwaremont. En sinds vorig jaar doet de Ronde de Kwaremont zelfs drie keer aan. Dat is handig voor de VIP’s – die kunnen in de grote witte tent op de top drie keer met een glas champagne in de hand naar de renners kijken. De Kwaremont vormt een satanisch duo met de Paterberg: een steil kasseienpaadje even verderop; de ene sloopt je, de ander maakt je af. Vroeger kon je door het gootje omhoog rijden op de Paterberg; vrouwen verzamelden zich op het steilste stukje omdat ze dan ‘d’n poep’ van de coureurs konden aanraken. Maar nu staan er hekken in de goot. Rennerskonten zwoegen zonder duwtjes naar boven over de stenen.

In de afdaling van de Kwaremont is R.I.P. Ronde van Vlaanderen op het wegdek gekalkt. Het is een echo van de protesten die vorig jaar uitbraken toen organisator Wouter Vandenhaute bekend maakte toen de klassieke finale over de Muur van Geraardsbergen geschrapt werd. Vandenhaute bezweek niet. Arme Muur; die ligt kilometers verderop en moet lijdzaam toezien hoe De Ronde vreemd gaat met een andere finale.

De lusjes rond de Kwaremont en de Paterberg worden steeds kleiner; het voelt als een knoop om mijn nek die steeds strakker word aangetrokken. In de eerste lus zit bovendien nog de Koppenberg: een muur van kasseien waartegen ik me te pletter rij. Het gaat zo langzaam dat ik me serieus afvraag of ik rennend niet sneller boven ben.

Kwaremont, Paterberg, Kwaremont, Paterberg, Kwaremont, Paterberg: gek word je ervan. En moe. Het nieuwe parcours is veel zwaarder dan het oude parcours. Tot twee jaar terug was het mogelijk om terug te komen vanuit de achtergrond, om iets te organiseren in de achtervolging. Dat is op de achtbaan rond de Kwaremont en de Paterberg vrijwel onmogelijk. Als je hier eenmaal achter de feiten aan rijdt, haal je ze nooit meer in.

Na drie keer Kwaremont en Paterberg voelen mijn benen aan als wrakhout. In de laatste tien kilometer naar Oudenaarde is elke pedaalslag er een te veel. De wind staat tegen, iedere klunk-klunk-betonplaat is een aanslag.

De laatste strook naar de finish duurt een eeuwigheid; de kerktoren van Oudenaarde staat aan de horizon, maar komt niet dichterbij. Op vijf kilometer voor de streep gaat mijn kaars uit. In Elsegem, of Petegem, in het zoveelste dorp met een kerk en een café. Ik kijk om me heen.

De uitbaatster van Frituur Dorine zeemt de ramen nog maar eens; haar overbuurvrouw legt de laatste hand aan haar tuintje. De huizen zijn oranjebruin, de rolluiken half dicht. Dit is Vlaanderen. Het land van de Ronde. Het land van de koers.