Kloosters onder het woestijnzand

Archeologie De legende van ‘woestijnvader’ Macarius herleeft bij de opgraving van Egyptische kloosterruïnes.

De Egyptische woestijn heeft archeologen meer te bieden dan piramides en faraonische graven. In een woestijnvallei ten zuiden van Alexandrië doet Karel Innemée van de Universiteit Leiden archeologisch onderzoek naar vroegchristelijke kloosters die tot de oudste wereldwijd behoren.

Innemée begon zijn onderzoek op een oude ruïneheuvel naast een nog bestaand Koptisch klooster dat Deir al-Baramus heet. “Volgens de overlevering was dit klooster in de vierde eeuw gesticht op de plek waar de monnik Macarius zich in de woestijn had teruggetrokken. Onder de heuvel zouden de resten liggen van een zesde-eeuws, dus later klooster. Maar het bleek precies andersom te zijn.” Juist het klooster ónder de heuvel, met een kerk en een toren die ooit meer dan twintig meter hoog was, blijkt vierde-eeuws. Innemée vond aanwijzingen dat dit het klooster is van Macarius.

De Egyptische christen Sint Macarius (circa 300-391) hoorde bij de vroege christenen in Egypte die aan het begin van de vierde eeuw voor een ascetisch leven kozen en zich in de woestijn uit het gewone leven terugtrokken. “Volgens het Heiligenleven van Macarius zou hij vroeger kamelendrijver zijn geweest; hij kende dus de woestijn.” Hoe Macarius leefde, is beschreven in de Vitae Patrum, de Levens van de (Woestijn)Vaders. Het is een verzameling vierde-eeuwse geschriften over de vroegste christelijke kluizenaars in de Egyptische woestijn.

De woestijnvallei Wadi Al-Natrun waar de opgraving ligt, is een ongeveer dertig kilometer lange geologische depressie met zoutmeren, die zijn ontstaan uit een arm van de Proto-Nijl. Tijdens de faraonische tijd werd er zout gewonnen, en natron (een natuurlijk mengsel van natriumverbindingen) voor de mummificatie van lijken. Macarius zou zich rond het jaar 330 aan de zuidoostrand van de wadi hebben teruggetrokken. Al snel trok hij volgelingen, die zich bij hem in de buurt vestigden. Innemée: “In een straal van drie kilometer rond de kloosters hebben we eenvoudige in de kalksteen uitgehakte woonruimten gevonden.”

Kerk en toren

De oudste gebouwen van het opgegraven klooster blijken de kerk en de toren te zijn. “De toren had een oppervlakte van 16 bij 16 meter en moet ongeveer 20 tot 25 meter hoog zijn geweest. Hier konden de kloosterlingen zich terugtrekken als ze werden aangevallen door de bedoeïenen. Later, in de negende eeuw hebben ze rond het hele complex ook nog een muur gebouwd.”

Maar is dit werkelijk Macarius’ klooster? Innemée denkt dat hij een ‘martyrium’ (een gedenkplek) heeft gevonden dat in het Heiligenleven van Macarius genoemd wordt. Dat martyrium zou zijn opgericht voor twee van Macarius’ volgelingen, die bekend staan als de ‘kleine vreemdelingen’. In het Heiligenleven wordt het tweetal beschreven als lichamelijk zwak, maar wel zeer vroom, vertelt Innemée. “Macarius constateert dat met name de oudste van de twee de monastieke perfectie heeft bereikt en niet langer door de duivel wordt verleid. Hij leidt dat af uit het feit dat de vliegen niet langer op hem afkomen. Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat je daar gek wordt van de vliegen.”

De twee jongemannen stierven beiden snel en Macarius zou op de plek van hun graf een martyrium hebben gebouwd. Onder de resten van de opgegraven kloosterkerk vond Innemée een klein gebouwtje met een ondergrondse ruimte. “Normaal gesproken zou je zo’n ruimte volstorten als je daar overheen bouwt. In plaats daarvan is hier een soort kapel gebouwd. Verder troffen we rond de plek, binnen de kloostermuren, graven aan. Dat duidt er op dat dit een speciale plek moet zijn geweest. Een echt bewijs hebben we niet, maar het is wel verleidelijk om te zeggen dat hier het door Macarius opgerichte martyrium heeft gestaan.”

Innemée weet dat christelijke bronnen als heiligenlevens zaken mooier kunnen voorstellen dan ze waren. Intussen heeft hij echter meer archeologische aanwijzingen dat het klooster dat hij heeft opgegraven verrezen is op de plek waar Macarius heeft geleefd. “In het Heiligenleven van Macarius staat dat hij ging wonen ‘op de plaats waar de barbaren de soldaten gedood hebben’. Bij de bouw van de kloosterkerk zijn Romeinse militaire bakstenen hergebruikt. Dat betekent dat vroeger in de buurt een Romeinse wachtpost moet hebben gestaan. Mogelijk hebben bedoeïenen, die het gebied onveilig maakten, die wachtpost overvallen en verwoest.”

Macarius heeft de gestage groei van de nederzetting Baramus niet lang meegemaakt, zegt Innemée. “Hij vond het er te druk worden en trok verder de woestijn in.” Volgens zijn Heiligenleven leidde een cherubijn, een engel, hem ‘naar de top van de heuvel die ten zuiden van het moeras is, westelijk van de bron boven de vallei’. Deir Abu Makar (het nog altijd bestaande Macariusklooster), dertig kilometer ten zuidoosten, zou zijn ontstaan bij de plek waar Macarius zich opnieuw vestigde. “Er ligt in ieder geval een moerassig zoutmeer in de buurt.”

Ook hier kreeg Macarius weer volgelingen. In de loop der eeuwen groeide een bloeiende kloostergemeenschap die groter was dan die van Deir al-Baramus. “Dat had ook te maken met het feit dat in de zesde eeuw de Patriarch van Alexandrië voor geweld moest vluchten en de plek zijn nieuwe zetel werd. In de negende eeuw leefden hier ongeveer duizend monniken.” Net als bij Baramus heeft Innemée in een straal van drie kilometer vele vroege onderkomens van monniken gevonden. Ook heeft hij een uitgestrekte begraafplaats ontdekt. “Die moeten we nog onderzoeken, want die kan interessante demografische gegevens opleveren.”

Militaire zone

Door de onrustige situatie in Egypte ligt het onderzoek de laatste twee jaar grotendeels stil. “De kloosters liggen officieel in een militaire zone en de militairen gaven geen toestemming voor onderzoek. Vorig jaar ben ik toch nog in Abu Makar geweest, maar toen hebben we alleen veldverkenningen binnen de muren kunnen doen.” Anders dan zijn collega’s die zich met de faraonische tijd bezighouden, heeft hij geen last van strenge controles door inspecteurs van de oudheidkundige dienst. “Het gaat bij ons ‘maar’ om koptische geschiedenis.”