Jarenlange flirt met de dood

Marc de Reuver kan het niet laten, ondanks alle ongelukken. Maandag rijdt hij in Valkenswaard. „Die hersenbloeding was ’t ergste.”

Man, in heel mijn lichaam zit plaatwerk. Moet je zien. Na enig zoeken toont Marc de Reuver op zijn iPhone een röntgenfoto van zijn onderlichaam. „Kijk, drie pinnen in mijn rug. En in mijn bekken. Hoeveel zullen het zijn? Een stuk of zeven, schat ik. Zulke plaatjes zitten ook in mijn knie en in mijn nek. Ja, die blijven er altijd in. Maar stoppen met motorcross? Haha, nooit niet.”

Wat bezielt die man van dertig, van wie het lichaam na veertien operaties met plakband bij elkaar wordt gehouden? Een ondefinieerbare drang om te crossen, om te winnen, om de beste te zijn. Zonder motor heeft De Reuver geen recht van bestaan. Zo voelt hij dat, al 25 jaar.

Het ADHD-kindje dat als vijfjarige door zijn vader op een motortje werd gezet om zijn energie kwijt te kunnen, ontwikkelde zich van talent tot ’s werelds beste motorcrosser die nooit wereldkampioen werd. De Reuver profileerde zich vooral als een brokkenpiloot die flirtte met de dood. Er ging in zijn leven heel veel mis. Ook buiten de baan.

Stel je voor, je bent achttien, derde geworden in de GP van Valkenswaard en er wordt gewapperd met contracten. Wat doe je dan? Tekenen natuurlijk. Zo werd De Reuver rijk, heel rijk. „Ik heb zeker twee miljoen euro verdiend”, vertelt hij zonder blasé te willen overkomen. „Maar alles is op. Ik ben het schoolvoorbeeld van ‘fout’. Als ik normaal met mijn geld was omgegaan, had ik nooit meer hoeven werken.”

Maar de weelde steeg De Reuver naar het hoofd. Hij kocht vele auto’s – bij voorkeur dure BMW’s en Mercedessen – droeg de mooiste kleren, liep op de duurste schoenen en vloog naar buitenlandse wedstrijden standaard businessclass.

Zijn grootste fout, zegt hij achteraf, was de koop van een woning in België. „In plaats van een appartementje werd het een huis van acht ton. Man, vier slaapkamers, drie douches en grond zover je kon kijken. Waar normaal een hypotheek over dertig jaar wordt uitgesmeerd, zei ik: ‘Doe maar tien jaar’. Man, mijn maandlasten waren zo hoog, daar werd je bang van. En wat denk je? Dat huis heb ik twee jaar later met dik verlies moeten verkopen.”

Zo gaat dat als de fabrieksteams je niet meer zien staan en de inkomsten opdrogen. Dankzij zijn deelname aan de Motorcross of Nations, waar het Nederlands team vorig jaar vierde werd, kreeg De Reuver voor dit jaar de A-status van sportkoepel NOC*NSF, goed voor het minimumloon, maandelijks zo’n 1.100 euro. Gelukkig verdient zijn vriendin wat bij al kapster en hoopt De Reuver met prijzengeld extraatjes mee te pikken. Maar dat viel bijvoorbeeld vorig weekeinde bij de ONK in Oldebroek zwaar tegen: 150 euro.

Intussen kan De Reuver mentaal omgaan met soberheid. Dat was drie jaar terug wel anders. Zijn precaire financiële situatie bezorgde de motorcrosser paniekaanvallen. „Wat wil je als je zo’n 10.000 euro in het rood staat?”, vraagt hij retorisch. „Tot een maat me pilletjes gaf. ‘Hier, neem maar. Daar word je rustig van’, zei hij. Het bleek oxazepam [antidepressiva] te zijn. Man, dát waren fijne pilletjes. Daarvan wilde ik er meer. En meer. En meer.”

Tot De Reuver een half jaar later op het circuit van Lommel tegen de grond smakte. Zomaar, in de pitsstraat, een plek waar je niet behoort te vallen. „Ik keek naar mijn motor en naar de mensen die mij aanstaarden. Wat ben ik in hemelsnaam aan het doen, dacht ik. Vanaf dat moment ben ik met die pilletjes gestopt. Afkickverschijnselen? Nee joh. Man, een week erna knalde ik over de baan. Werd ik tweede in het Belgisch kampioenschap, haha.”

Typisch De Reuver. Hij valt – doorgaans hard – krabbelt op, revalideert en stapt weer op de motor. Afgemeten aan zijn medisch dossier is het een godswonder dat De Reuver nog crosst. Een kapot scheenbeen, gebroken rugwervels en een gebroken nek waren vergeleken met een hersenbloeding relatief lichte blessures. „Die hersenbloeding was het ergste wat ik hem meegemaakt. „Als je een bot breekt, zet je er een plaatje in en, hop, dat heelt wel weer. Maar als je iets aan het zenuwstelsel hebt, is dat slecht, hoor. Man, ik ben goed van slag geweest.”

Een eufemisme voor zware verwondingen. Want De Reuver was ook nog eens aan zijn rechterkant verlamd. „Normaal moeten na 48 uur functies terugkeren, maar ik voelde na een week nog niets. De artsen vreesden het ergste; die zagen me de rest van mijn leven al in een rolstoel zitten. Maar ik had altijd een heilig vertrouwen in herstel. Een Belgische fysiotherapeut heeft me erbovenop geholpen. Hoe? Heel raar, met rolletjes met stekeltjes waarmee hij mijn voetzool stimuleerde. En plotseling kon ik mijn grote teen weer bewegen. En zo keerde het gevoel langzaam terug. Man, wat was het zwaar. Als ik mijn grote teen drie keer had bewogen, moest ik twee uur slapen. Raar is dat, hè. Vaak ben ik zwak, maar mentaal ben ik niet kapot te krijgen.

Pas nu ik vader ben, begrijp ik wat mijn ouders al die jaren hebben doorgemaakt. Toen ik een hersenbloeding had, dacht mijn moeder dat ik dood zou gaan. Ze heeft me dertig minuten zien liggen, bewegingloos en met dikke ogen. Ik was niet wakker te krijgen. Dan denk je toch: die is dood. Toen ik ontwaakte, zag ik mijn moeder huilen. En ik dacht: wat is dit? Ik kon het niet begrijpen. Nu wel. Mijn zoon had onlangs het Rs-virus en moest daarvoor drie dagen naar het ziekenhuis. Als ik dat kereltje met slangetjes in zijn neus op schoot had, brak ik. Man, ik huilde als een kind.”

Wat is dat toch met De Reuver? Mist hij het vermogen zich te beheersen? Vaak wel. Zit volgens hem in zijn karakter. „Tegenwoordig heb ik mezelf aardig onder controle. Niet toen ik jong was. Ik moest winnen, altijd. Ik kon niet verdragen dat iemand voor mij reed. Als vroeger op school de bel ging, moest ik als eerste bij de deur zijn. Ik moest als eerste mijn huiswerk af hebben. Als er groepjes werden gemaakt, moest ik als eerste gekozen worden.

„Altijd was er die drang om de beste te zijn. Man, dat is erg, hoor. Ik ben wel naar mentale coaches en psychologen geweest, maar dat hielp niet. Omdat ik niet luisterde. Op alles was zij zeiden, knikte ik braaf, maar ik deed er niets mee. Hoe vaak me niet gezegd is: Marc, kalm aan. Zodra ik helm opzette was dat weg. Nu ben ik rustiger geworden. Met vallen en opstaan geleerd.”

Ondanks alle ellende is stoppen vooralsnog geen optie. De Reuver heeft het weleens overwogen, afgelopen winter nog. Maar de vraag is: wat dan? Met een mavodiploma van vijftien jaar geleden kom je niet ver. Dus blijft De Reuver maar crossen. Berustend: „Als ik stop, ben ik bijna gedwongen in de sport te blijven. Als trainer of teammanager, zoiets.”

Sportieve argumenten zijn er niet, vindt De Reuver. „In Nederland gaat alleen Jeffrey Herlings harder. Maar die jongen is buitencategorie. De rest pak ik allemaal.”

Waarna er een brede, vette grijns op zijn gezicht verschijnt.