Het verdrietige jongetje werd een jihadstrijder

Jordi de Jong (20) groeide op in Schipluiden, ontspoorde als tiener en kreeg moslimvrienden in een opvanghuis. Nu is hij een van de Nederlandse jihadstrijders in Syrië.

Het had weinig gescheeld of Jordi de Jong was christen geweest. Klasgenoten die met hem op de protestantse basisschool De Ark in Schipluiden zaten, herinneren zich hoe hij op jonge leeftijd in de ban raakte van het geloof. Hij genoot van het zingen van christelijke liedjes, van bidden. Jordi wilde de Bijbel van A tot Z doorlezen. „Hij ging er helemaal in op, was opeens een zwaar gelovig kind”, zegt een oud-klasgenoot. Op school verbaasde men zich erover – Jordi was niet christelijk opgevoed. Aan het einde van groep 8 had hij de Bijbel weer terzijde geschoven.

Vroeger maakte hij grapjes over moslims. „Kijk al die hoofddoeken gaan, het zijn net pinguïns!”, riep hij eens uit in een winkelcentrum in Delft waar veel Turkse meisjes liepen. Nu is Jordi de Jong (20) zelf moslim en getrouwd met een gesluierde vrouw. Hij is een van de circa honderd Nederlandse jihadstrijders die zijn afgereisd naar Syrië om mee te vechten in de burgeroorlog. Onder hen bevindt zich een vriendengroep uit Delft waar ook Jordi toe behoort. Twee 20-jarige jongeren uit de regio Rotterdam zouden om het leven zijn gekomen. Hoe kwam dit opgewekte jongetje uit Nederland in de Syrische woestijn terecht?

Als kind groeit Jordi ogenschijnlijk gelukkig op in Schipluiden, bij Delft. Op de basisschool valt hij op door zijn talent voor acteren en zingen. Hij speelt regelmatig de hoofdrol in musicals en doet mee aan een playbackshow. „Een vrolijke, spontane jongen die altijd in is voor een geintje”, zegt een moeder uit het dorp, die net als anderen uit zijn omgeving niet met haar naam in de krant wil omdat ze weet dat Jordi’s familie geen media-aandacht wil.

In november 2005 wint Jordi met zijn hond Bas de prijs ‘Het leukste huisdier van Nederland’ . Hij krijgt de eerste prijs uitgereikt in Dierenpark Emmen.

Jordi wordt grootgebracht door zijn moeder en stiefvader. Zijn echte vader is op jonge leeftijd uit beeld verdwenen. Jordi heeft een goede relatie met zijn stiefvader, hij noemt hem ‘papa’. De band met zijn moeder is zeer hecht. „Ze was alles voor hem”, zegt een jeugdvriend. „Je moest niets over haar zeggen, want dan draaide hij door.”

Op 12-jarige leeftijd krijgt Jordi te maken met tegenslag. Een vriendje van hem overlijdt, blijkt uit een bericht op een condoleancewebsite. „Rik ik mis je heel erg!”, schrijft Jordi. „Ik zal je never nooit vergeten, hoe jij altijd voor me opkwam als ik werd gepest enzo. Doei lieve Rik.”

Jordi heeft te maken met plagerijen, die zullen doorgaan als hij naar het vmbo op het Christelijk Lyceum Delft gaat. Enkele jongens uit het dorp zeggen dat Jordi een „apart kereltje” was en soms gepest werd met zijn „homo-achtige gedrag”.

Jordi zit niet bij de voetbalclub, zoals de meeste jongens uit Schipluiden. Hij gaat meer om met meisjes en is veel bezig met zijn uiterlijk. „Jor was heel ijdel”, zegt een goede bekende van hem. Hij heeft een tongpiercing, draagt een modieus heuptasje en in zijn stekelhaar zitten klodders gel. Hij zingt veel nummers van de Amerikaanse R&B-zangers Usher en Neo. Hij wil graag beroemd worden, zegt hij tegen vrienden.

Als hij op zijn vijftiende meedoet aan talentenshow Idols, mag hij van de jury door naar de volgende ronde. Jordi is zo trots, dat hij per se tussendoor terug naar huis wil om het goede nieuws aan zijn moeder te vertellen. Hij komt te laat terug om deel te mogen nemen aan de tweede ronde.

Onder de laag van de opgewekte jongen, zit een andere Jordi. Vrienden vertellen dat hij soms intens verdrietig kon zijn. Dat was wanneer jongens hem hadden gepest met zijn vermeende homoseksualiteit: „Kom nou maar uit de kast!” Jordi werd dan stil. „Nou moeten ze verdomme ophouden”, zei hij tegen vrienden die met hem probeerden te praten. „Wat heeft het allemaal nog voor nut? Ik ga zelfmoord plegen”, zei hij ooit.

Op school gaat het ook bergafwaarts. Jordi heeft moeite met leren en wordt een niveau lager geplaatst. Thuis komen er problemen, de relatie tussen zijn moeder en zijn stiefvader loopt slecht. Jordi gaat op zoek naar zijn biologische vader. Hij vindt hem, maar het contact loopt uit op een teleurstelling.

Bekenden van Jordi herinneren zich dat hij die periode heel beïnvloedbaar wordt. Dat hij van alles doet om erbij te horen. „Als je tegen hem zei: ‘Jor, spring in de sloot’, dan deed hij het”, zegt een jeugdvriend. Als Jordi een keer stiekem heeft geblowd, wordt hij heel ziek. De keer daarna komen vrienden weer naar hem toe: „Jordi, kom roken!” Hij wilde het eigenlijk niet, zegt een vriendin, maar doet het toch. „Hij kon zich erg laten meeslepen. Als iedereen het deed, deed Jordi mee.”

Thuis kan hij de spanningen niet meer aan. Zijn moeder en stiefvader scheiden. Jordi vertrekt op 16-jarige leeftijd na een ruzie uit huis. Hij meldt zich bij de politie als weggelopen kind. Jeugdzorg plaatst hem in een opvanghuis in Den Haag. Daar krijgt hij vrienden van Turkse en Marokkaanse afkomst. Zijn moeder schrijft nog een brief aan zijn vrienden in Schipluiden, met de vraag Jordi niet uit het oog te verliezen en hem in Den Haag te blijven opzoeken. Vanuit het opvanghuis geeft Jordi voor het eerst blijk van het feit dat hij zich in de islam is gaan verdiepen. „Ik heb gebeden dat alles goed komt”, vertrouwt hij toe aan een vriend.

Mensen om hem heen maken zich zorgen. Ze vermoeden dat hij zich bezighoudt met onfrisse zaken: Jordi heeft altijd veel geld op zak, terwijl hij werkloos is. Via Jeugdzorg krijgt hij een eigen kamer toegewezen in Delft. Hij bezoekt er de Sultan Ahmet-moskee. Als hij door een kennis wordt uitgenodigd om te komen eten, blijkt dat hij zich heeft bekeerd: Jordi wordt boos omdat de kennis hem varken wil laten eten. Op zijn achttiende zegt hij af voor de vakantie die hij ieder jaar maakte met zijn vaste vriendengroep. Hij heeft een islamitisch meisje ontmoet.

Ze heet Khadija, een klein meisje gekleed in een lange jurk met hoofddoek. De keren dat zijn vrienden Jordi bij toeval tegenkomen in Delft, heeft hij zijn baard laten groeien. Een keer draagt hij een jurk. Hij zegt dat het „heel erg goed” met hem gaat. Hij is naar Mekka geweest.

Binnen een jaar is Jordi getrouwd met Khadija, die in verwachting is van een zoontje, Mousa. Hij verandert zijn naam in Abu (‘vader van’) Mousa Al Gharib. Op Facebook meldt hij zich aan als lid van extremistische moslimwebsites, zoals We, the Revolutionaries of this Ummah. Op deze pagina wordt opgeroepen de strijd aan te gaan met Syrië tot het land islamitische wetgeving invoert. Ook ‘liket’ hij het profiel van Anwar al-Awlaki, een radicale moslimgeestelijke die betrokken zou zijn geweest bij een mislukte aanslag in 2009 op een vliegtuig dat van Amsterdam naar Detroit vloog.

De laatste vriend die hij op Facebook toevoegt, is een jongen uit Afghanistan. Op zijn profielfoto draagt hij een strijdtenue, met de Koran in zijn hand en een geweer op zijn schoot. Jordi zit dan al in Syrië, waar hij met een groep islamitische vrienden uit Delft heen is gereisd.

Zijn oude vrienden uit Schipluiden vrezen dat Jordi zich heeft laten meeslepen. „Hij wil zich bewijzen voor zijn moslimvrienden, zoals hij dat ook altijd voor ons deed”, zegt een jeugdvriend, die denkt dat Jordi niet meer zal terugkomen naar Nederland. „Jor is iemand die je kan wijsmaken dat je door een kogelregen heen kunt rennen. Zo goedgelovig is hij. Ik denk dat hij daar nooit meer vandaan komt.”