Het mocht ranziger, wat minder braaf

Jazzpianist Ruben Hein legt het accent nu meer op pop dan op jazz. En meer op zingen dan op pianospelen.„Je kunt in pop alles spelen als ‘boem-tak’, maar ik wil een breder palet met meer accenten.”

Het steentje verder geworpen, de sprong naar het volgende vakje in het hinkelspel gemaakt. Met de titel van zijn tweede cd, Hopscotch, geeft zanger en pianist Ruben Hein (30) zijn muzikale groei aan. Hein wilde weg van hoe hij al klonk; van zijn wat romige, losse popsoul. Verder naar een duidelijker, groove-georiënteerd, krachtiger popgeluid waarin gitaren leiden en zijn eigen piano een bijrol heeft.

Hein is er duidelijk over in een Amsterdams café: hij had geen zin in de druk van een tweede album. Zeker niet wanneer je die jezelf oplegt – „hoe verlammend kan dat werken”. Maar eerlijk, Hein heeft behoorlijk gezocht naar een nieuwe stijl na zijn tamelijk succesvolle debuut Loose Fit, in 2010 uitgebracht bij het Amerikaanse jazzlabel Blue Note Records.

Op die cd bracht Hein, geboren in Bemmel in 1982, zijn liefde voor pop en zijn jazzachtergrond voor het eerst samen. Het aanstekelijke pop-swingnummer Elephants, aangedreven door een fris koperintro, werd een radiohit. En de lange jazzpianist die zijn smeuïge zangstem langzaam maar zeker vaker ging gebruiken, suisde plots rond in een commerciële popachtbaan.

Er kwam de afgelopen drie jaar veel op zijn pad: talloze optredens, van clubs tot North Sea Jazz. Een groot concert met het Metropole Orkest. Een tournee met Amsterdam Sinfonietta. En dan was er de ontmoeting met zijn held Bill Withers, met wie hij bijna een week kon optrekken tijdens een Withers-eerbetoon in Carré. Hein zong toen het Bill Withers-nummer Let me In Your Life en ontving van de oude soulgigant een bijzonder compliment: „Dat ik het beter zong dan die ander die het nummer eens coverde. Dat bleek Aretha Franklin te zijn.”

Op de muziekschool in Nijmegen leerde Ruben Hein de eerste jazzstandards. In Amsterdam studeerde hij jazzpiano aan het conservatorium, waar hij in 2008 zijn diploma ontving. Zijn bekendheid groeide in bands van saxofonist Benjamin Herman en cabaretier/zanger Hans Teeuwen. Als soloartiest kreeg hij een zetje via het talentenproject Unsigned 2009.

„Mijn eerste album was een les in liedjes maken”, zegt Ruben Hein. „Er kwam veel op me af nadat ik een contract had gekregen bij het grote label Blue Note. Ik pakte alles met beide handen aan. Blazers? Ja! Strijkers erbij? Te gek. Ik maakte geen keuze, ik was door alles overweldigd. Na het uitbrengen van mijn debuutalbum ging ik werken met orkesten en moest ik dieper over mijn muziek gaan nadenken. Wat is mijn rol, hoe communiceer je met zoveel musici. Ik moest losbreken uit alles wat ik gewend was.”

Een jaar geleden begon hij aan zijn nieuwe cd Hopscotch. Het mocht „ranziger, minder braaf”, vond hij. Tijdens het componeren stuurde hij zijn band een muzikaal moodboard toe met vier pijlers: popzanger Paul Simon, jazzpianist Ahmad Jamal, afrobeatdrummer Tony Allen en singer-songwriter Fink. De brede, wereldse invloed van de eerste, Paul Simon, is bijvoorbeeld terug te horen in de single Fool by Morning waarin de groove galoppeert als een paard, terwijl Hein zingt als Klaas Vaak over weergaloze dromen die de volgende ochtend onnozel aanvoelen. „Ik ben dol op Simons klassieker Graceland”, vertelt Hein. „De manier waarop hij gitaren patronen laat maken die met drums een groove vormen is knap. Dat heb ik met mijn twee gitaristen ook geprobeerd. In nummers als Fool by Morning of in Wall of Silence leggen zij de basis door tegen elkaar in te spelen.”

Tony Allen inspireerde Hein in het afwijken van rechttoe-rechtaan beats. „Je kunt in een popsong makkelijk alles spelen als ‘boem-tak’. Liever wil ik een breder palet van accenten en verschuivingen in nummers. Ik ben pianist en ben gewend te denken vanuit harmonie en klankkleur. Met ritmes als uitgangspunt is mijn piano nu meer naar de achtergrond verschoven.”

De liedjes voor het muzikaal gewaagdere, energieke en door de spannende ritmes meer bezwerende Hopscotch schreef Hein met diverse songwriters. In Los Angeles trof hij Lori Liebermann, schrijfster van Roberta Flacks Killing Me Softly. Met haar schreef hij het mooie How I Wish. Het funky Tough Crowd ontstond met de Zweedse liedjesschrijver Magnus Tingsek. En drie nummers, zoals Little Life, zijn geschreven met de Britse componist Richard Causon (die samenwerkte met onder andere Tom Jones en Rufus Wainwright).

Het opmerkelijke aan dit soort schrijfafspraken, stelt Hein vast, is de snelle ‘intimiteit’ die je als muzikanten deelt. „Je belt aan, maakt kennis, drinkt koffie, legt je schetsen van nummers neer en gaat daarna schrijven over je diepste zielenroerselen. Dat heeft iets vreemds. Maar het levert iets moois op. Want je kunt heel eerlijk zijn.”

Het schrijven van teksten is een discipline waarin de zanger nog veel te leren heeft, zegt hij. Het durven opschrijven van persoonlijke gevoelens, het net niet herkenbaar benoemen van moeilijke situaties. „Ik ben wat meer gaan mijmeren. Nadenken over de keuzes in mijn leven en de vragen waar ik met mijn generatiegenoten voor sta. Ik heb de mazzel dat ik heel goed weet wat ik wil; ik word gelukkig van muziek maken. Op het podium, in de studio. Nu ik een tijd niet heb gespeeld, realiseer ik me dat weer goed. Dat wéten is een luxe.”

Dit inzicht leidde tot een funky nummer als Mountain Road met een Prince-achtig gitaartje. In het nummer wordt het leven beschreven als een bergpaadje dat je rustig dient af te kuieren.

Het leven van een muzikant, zegt hij, wordt behoorlijk geromantiseerd. „Neem het liedjes schrijven, wat een eenzaam proces is dat eigenlijk. Ik heb mezelf écht aan het werk moeten zetten, een ritme moeten vinden voor een werkdag. Wat werkte was om na het opstaan tien minuten vrij te gaan schrijven. Gewoon associëren. Bijvoorbeeld met een bepaald voorwerp. Dan gaat er een knop aan in je hoofd. Gek genoeg gebeurt me dat niet door piano te spelen. Ik ben ineens meer liedjesmaker geworden dan pianist.”

Jazz of pop? Ruben Hein stelt zich niet langer de vraag. Op dit album is de richting duidelijk: pop heeft nu voorrang. Maar mét een jazzgevoel, haast hij zich dan toch weer te zeggen. Er moet een zekere losheid in zitten, een speelsheid, niet te geproduceerd, zegt hij. „De ziekte van een jazzmuzikant is dat je je muziek altijd weer anders wilt uitvoeren. Dat gevoel zal ik niet kwijtraken. Het zweet breekt me uit als ik dezelfde mensen weer in mijn publiek zie staan. Dan maak ik me zorgen of ze zich niet bekocht voelen. Dan wil ik meteen iets anders spelen. Terwijl bij een sterke popact alles tot in de puntjes bedacht is.”

Toch valt die vrije musicus in hem niet weg te drukken. Zo staat er ook een jam op de nieuwe cd. Een moment waarin de musici wat voor zich uit speelden en de opnameknop werd ingedrukt. Vorig jaar was er ook een oprisping: de Ruben Hein Revisited-tournee; een akoestische jazztournee met de liedjes van Heins debuut als uitgangspunt. „Alleen instrumentaal”, waarschuwde de zanger zijn publiek. Met zijn jazztrio gingen zijn nummers in de ‘jazzremix’, ontdaan van alle productionele franje en bombast.

Dat hij dus altijd ‘terug’ kan, vindt hij een geruststellende gedachte. Al leiden zijn jazzskills op de piano nu onder zijn keuze voor zang. „Maar is dat erg?”, vraagt hij zich af. „Als ik me te pletter studeer kan ik het weer oppakken. Ik heb er een tijd mee geworsteld en heb mij toen gerealiseerd dat er geen keuze is. En misschien ben ik over een paar jaar klaar met zingen. Of zelfs muziek. En ga ik iets heel anders doen. Dan word ik toch nog boswachter.”

De cd Ruben Hein: Hopscotch is nu verkrijgbaar.