'God is een superalfaman'

Primatoloog Frans de Waal schreef een boek over de aardige aap. Bij een biertje en een kroket in Artis gaat het over ruzie, verzoening, moord en religie.

Een apenmannetje hupt tak op tak af, peuzelt op een zonnepit en houdt zijdelings zijn vrouwenaapje in de gaten. Zij zit op een boomstam met om haar middel haar vier weken oude jong. Als de moeder beweegt, haakt het jong zijn ministaartje om de hare. De brillenglazen van Frans de Waal (64), bioloog en primatoloog, beslaan door de vochtige warmte in het apenhuis van dierentuin Artis in Amsterdam. Met een klein cameraatje maakt hij van dichtbij foto’s van het gezin dwergoeistiti’s. „We weten het geslacht van het jong nog niet”, zegt een arts-bioloog van Artis, bijna verontschuldigend. „De clitoris is zo groot bij deze soort”, zegt Frans de Waal. „Het verschil met een penis is moeilijk te zien.”

Na het apenhuis lopen we door het vogelhuis. De vogels zitten niet in volières, maar vliegen los door de ruimte. Ik vraag Frans de Waal, die al meer dan veertig jaar apengedrag bestudeert, of hij het leuk vond om even aapjes te kijken. „Well”, begint hij op z’n Amerikaans (hij woont al meer dan dertig jaar in Atlanta, Georgia). Hij gaat verder in het Nederlands: „Ik heb het niet zo op Nieuwe Wereldapen.” Dwergoeistiti’s komen in het wild alleen voor in Zuid-Amerika. „Ze zijn me te klein, te nerveus, te onrustig.” Oude Wereldapen, dat zijn wij. De mens en onze naaste familieleden: de chimpansee, de bonobo, de gorilla. Dat zijn de apen die Frans de Waal bestudeert. Als biologiestudent observeerde hij de kolonie chimpansees in de dierentuin van Arnhem. En daar viel hem op hoe hun gedrag op het onze lijkt. Ruziënde apen maken het na afloop goed, ze troosten wie verdrietig is, straffen de boosdoeners, ze verzorgen de ouderen en beschermen de zwakken. Frans de Waal concludeerde iets wat mensen niet graag hoorden: mensen zijn eigenlijk heel gewone dieren. Ons gedrag, zei hij, is niet aangeleerd maar aangeboren. Nature, en niet nurture. Zeker in Nederland viel dat niet goed. Gedrag toeschrijven aan de genen, dat deden de nazi’s toch ook? Frans de Waal vertrok in 1981 naar Amerika. Daar, op het Living Link Center voor primatenonderzoek waarvan hij nu directeur is, heeft hij een kamer met uitzicht op het leefgebied van twintig chimpansees, die zien of hij op zijn kantoor is of een onbekende. In dat laatste geval bekogelen ze het raam met modderklonten.

Al pratend lopen we stevig door. We staan even stil bij de olifanten, de giraffen op het veldje ernaast, we lopen langs het homopaartje gieren en door naar het zelfbedieningsrestaurant De Twee Cheetahs met uitzicht op de speeltuin, waar een handvol kinderen speelt. Ontredderd staat Frans de Waal met een leeg dienblad bij de counter. Normaal, zegt hij, eet hij tussen de middag een appel en een banaan. Van lunchen wordt hij slaperig en het kost hem te veel tijd. Nu pakt hij een kroket, een saucijzenbroodje, een flesje Heinekenbier. We gaan met de dienstlift naar de eerste verdieping van het restaurant, waar het op een paar verdwaalde mussen na leeg is. Hij draait zijn stoel een kwartslag van de tafel, strekt zijn benen en kijkt me zijdelings aan als ik hem wat vraag.

Frans de Waal is een paar dagen in Nederland. Afgelopen dinsdag kreeg hij een eredoctoraat aan de Universiteit Utrecht, waar hij in 1977 ook promoveerde. Deze week verscheen ook zijn nieuwe boek in Amerika en hier in de Nederlandse vertaling: De bonobo en de tien geboden. De aap, schrijft hij, kan van nature goed en kwaad onderscheiden. Moraal is niet exclusief voor mensen én het is niet iets wat God ons heeft opgelegd. Want: kijk maar naar de apen. „Moraal zit in de natuur.” En dat is voor Amerikanen, die religieuzer zijn dan Nederlanders, even slikken. Het goede nieuws is dat de aap (en wij dus ook) goed is van nature. Natuurlijk, we zijn ook agressief, jaloers en zelfs moordzuchtig. Vaak schrijven mensen die slechte eigenschappen toe aan het ‘beest in ons’. En onze goede eigenschappen – empathie, onbaatzuchtigheid, altruïsme, loyaliteit – zijn dan typisch menselijk. Onzin, zegt De Waal. Dieren zijn net zo goed als wij.

Frans de Waal is geen atheïst. „Ik val de religie niet aan. Ik zeg alleen dat je geen god nodig hebt om een morele samenleving te bouwen. Ik denk dat godsdienst wel handig is om de boel bij mekaar te houden.” De regels die religies voorschrijven, zegt De Waal, lijken vooral onze reproductierechten te beschermen. Geen seks voor het huwelijk, niet andermans vrouw begeren, huwelijkse trouw. „Evolutionair levert monogamie ons voordeel op. Wij kunnen meer kinderen krijgen dan chimpansees, die maar eens in de zes jaar een jong voortbrengen. Bij ons helpen de vaders bij het grootbrengen van de kinderen. Maar alleen als hij zeker weet dat het kind van hem is.”

Ik vraag of mensapen religieus zijn? „Well,” zegt Frans de Waal, „ze voeren een dans uit als het regent. Ze dansen op een speciale manier als een soortgenoot overlijdt. Ze hebben vaste rituelen. Dus ja, er zijn wel wat parallellen. Maar of die godsdienstig zijn?” Hij zwijgt even en zegt dan: „Maar hé, luister: onze god is niets anders dan een superalfaman. Wij hanteren precies dezelfde hiërarchie als apen.” Oei, zeg ik. Dat vinden gelovigen vast geen leuke opmerking. Hij haalt zijn schouders op. Van huis uit is hij katholiek. Opgegroeid in Waalwijk, de vierde van zes zoons. Als jongetje, zegt hij, was hij veel te ongedurig voor „die poppenkast” in de kerk. De muziek, die vond hij mooi. Maar hij heeft niks met de schuld- en schaamtegevoelens waarmee het katholicisme zondaars opzadelt.

Kunnen dieren zich schuldig voelen? Zich schamen? „Chimpansees slaan hun handen voor hun gezicht. Ze vertonen submissief, onderdanig gedrag. Net als honden. Maar of ze echt weten dat ze iets verkeerds gedaan hebben? Dat weten we niet. We denken dat ze anticiperen op straf. Maar misschien is schuldgevoel bij ons precies zo begonnen. Alleen hebben wij onze angst voor straf geïnternaliseerd. Ons geweten corrigeert ons.”

Politieke moord

In 1982 werd Frans de Waal wereldberoemd met zijn boek Chimpanseepolitiek, over macht en seks bij apen. Hij zag in de dierentuin in Arnhem een politieke moord. Twee mannetjes, een jonge en een oude, zweerden samen tegen de sympathieke leider Luit. Op een nacht grepen ze de macht, castreerden Luit door zijn testikels af te bijten. Hij stierf aan zijn verwondingen. Zijn die mannen de dag erop gestraft door hun soortgenoten, vraag ik. „Zeker. Ze werden door de groep de boom in gejaagd.” En voelden ze zich schuldig? „Die kerels hebben een paar uur krijsend in de boom gezeten. Ze beseften zeker wat ze hadden aangericht.”

Frans de Waal weet zeker dat er die nacht niet gemoord was als de vrouwtjes uit de kolonie erbij waren geweest. Maar die zaten apart opgesloten. Als de groep compleet was geweest, was er bemiddeld, getroost en hadden de vechters zich verzoend. Dat gedrag noemt Frans de Waal survival of the kindest. Om als groep te overleven, is het handiger om een beetje aardig tegen elkaar zijn. „Empathie is het cement van een samenleving.”

„Een beetje ruzie is niet erg. Ik kom uit een gezin met zes jongens. Bij ons waren er voortdurend conflicten.” Ik vraag welke rol hij had als kind. Was hij de agressor, de verzoener, de bemiddelaar? Hij kijkt verbaasd en zegt dat hij zich dat echt niet meer kan herinneren. „Chimpanseemannen maken veel en vaak ruzie en leggen het daarna weer bij. Vrouwtjes hebben zelden een conflict, maar als ze het hebben, dan blijven ze soms een leven lang wrok koesteren.” Bij mensenkinderen werkt het net zo. „Finse onderzoekers observeerden basisscholieren en noteerden hun schermutselingen. Aan het eind van de dag vroegen ze de kinderen of ze die dag nog ruzie hadden gehad. De jongens konden zich er niks van herinneren, ook al hadden ze doorlopend gevochten. De meisjes wisten tot in detail met wie ze waarom woorden hadden gehad.”

Roept Frans de Waal zelf agressie op? Met zijn uitspraken over de mens, de aap en het geloof? Hij denkt van niet. Gaat hij mensen soms een beetje uit de weg? „Misschien. Ik ga liever met dieren om dan met mensen.” Eerder op de dag was hij even in de dierentuin in Arnhem, waar nog drie chimpansees wonen die hij kent van dertig jaar geleden. Ze herkenden hem nog. „Ze begroetten me, probeerden me te vlooien.” Door het hek heen, zegt hij. „Je denk toch niet dat ik tussen de chimps loop? Veel te gevaarlijk.” Zelfs jonge dieren zijn sterker dan een volwassen man. „Als student deed ik onderzoekjes met twee chimpansees, Koos en Nozem. Ze waren vier en vijf jaar. Ik zat bij ze in de ruimte. We hadden een goede relatie, maar toch hield ik de deur in de gaten. Als ze ervoor gaan staan, kom je niet meer weg. Na mij kwam een andere onderzoeker. Keurige jongen. Jasje, dasje. Hem mochten ze niet.” Frans de Waal is ooit gezakt voor een examen biologie omdat hij geen das droeg. En wel lang haar, ketting, bontjas. „Ik zeg nog tegen die student: kijk maar uit met die das.” Hij schatert. „Komt hij die kamer uit. Helemaal verfomfaaid, de mouwen van zijn jasje gescheurd. Maar zijn das had hij nog om.”

Sociale controle

Dat waren dezelfde apen, zegt hij, die altijd een erectie kregen als ze een vrouw voorbij zagen lopen. „Dat hadden ze bij mij en mijn medestudent nooit. Interessant. Waaraan zagen ze dat wij geen vrouwen waren? De dag erop zetten we een pruik op, deden een jurk aan en gingen de ruimte binnen. Niks. Geen erectie.” Hij formuleert semiformeel: „We concludeerden dat primaten het man-vrouwonderscheid niet maken op basis van oppervlakkige kenmerken.” Hoe dan wel? Geur? „Chimpansees ruiken niet veel beter dan wij. Papagaaien zien het verschil ook. Dat is nog gekker, want hun lichaam lijkt niet eens op het onze.” Het antwoord is waarschijnlijk dat dieren het aan de beweging zien. „Mannetjes van alle soorten bewegen zich hoekiger. Vrouwenbewegingen zijn vloeiender.”

Als kind hield hij katten, kauwen, muizen en stekelbaarsjes. Het heeft iets geks om aan een volwassen man te vragen of hij huisdieren heeft. Ik doe het toch. „Katten en tropische vissen”, zegt hij. En rond zijn huis lopen coyotes en wasberen. „Eigenlijk is Atlanta een groot bos met een stad erin.” Hij is met zijn „favoriete primaat” (zijn vrouw Catherine Marin, hoogleraar Frans en ooit de penvriendin van zijn oudere broer) op zoek naar een appartement in Utrecht. Hij is niet van plan definitief terug te komen. „Ik kan niet meer in Europa wonen, met al die sociale controle, de regeltjes. Mijn vrouw is Française. Als Fransen je uitnodigen voor het diner, is het meteen drie gangen met alles erop en eraan en je bent verplicht precies hetzelfde terug te doen. Een Amerikaan zegt: ‘Morgen heb ik een barbecue. Kom je ook?’” Amerikanen, zegt Frans de Waal, zijn gewoon áárdig.