Column

Gezicht van de crisis

Heeft een land een gezicht, een direct herkenbaar patroon van trekken en kleuren, een uitdrukking waaruit je min of meer kunt afleiden wat voor karakter het heeft, en misschien zelfs het verre equivalent van een oogopslag waaraan je kunt zien wat de overheersende stemming is? Ja, een stad heeft een gezicht. Als je in het centrum van Amsterdam staat weet je zeker dat je niet in Rotterdam of Groningen bent. Dat hebben we aan de geschiedenis te danken. Als je met de trein naar België gaat, weet je al in de eerste minuten dat je over de grens bent. Nederlandse architecten bouwen volkomen identieke woonhuizen in lange rijen. In België verschilt ieder huis van het vorige en het volgende. Nederlandse steden zijn overwegend in het gelid gebouwd. Denk aan het Plan Berlage in Amsterdam. Mooi, maar ook grondig gedisciplineerd. Uit de trein gezien staat in België alles schots en scheef door elkaar. Zijn de Belgen individualistischer? Je ziet er in ieder geval veel meer zonnepanelen op de daken.

Zo zit ik te denken als ik met de trein naar Parijs ga. Wat zou het openbaar vervoer zijn zonder die grote ramen? Ik vind het voortdurend wisselend uitzicht uiteindelijk mooier en boeiender dan alles wat ik op de televisie zie. Ver terug in de vorige eeuw heeft een Hongaarse cineast zijn camera achter een raam van de sneltrein van Boedapest naar Wenen gezet en het apparaat onophoudelijk laten draaien. Later is er wel een en ander aan gemonteerd, maar het is een prachtige film geworden. Stom genoeg maker en titel vergeten.

Nu zat ik na Brussel me voor te bereiden op het noord-Franse landschap, de zacht golvende heuvels waar zich een groot deel van de Eerste Wereldoorlog heeft afgespeeld. Hier en daar liggen de militaire kerkhoven, honderden soldaten keurig in het gelid begraven en daarboven wappert sinds bijna een eeuw de Franse vlag. Werd ik als kleine jongen getroffen door een kinderziekte, mazelen, rode hond, dan werd ik in bed gestopt met vier jaargangen van het weekblad Prins der Geïllustreerde Bladen, 1914-1918. Verwoeste steden, loopgraven, zwaar geschut, de eerste tanks, generaals te paard. Ik was acht, negen jaar. Die oorlog had voor mij geen geheimen. En nu, terwijl de Thalys met meer dan 200 kilometer per uur door dit landschap raast, denk ik aan het vroeger van toen ik een kind was en het veel vroeger van de eerste industriële slachtpartij die vier jaar heeft geduurd. Volgend jaar een eeuw geleden begonnen. Dat zal een herdenking worden. Afgezien daarvan: dit landschap heeft weer een vredig, liefelijk gezicht gekregen.

We komen weer in een dichter bevolkte wereld en omdat zo’n hogesnelheidstrein veel lawaai maakt, heeft de overheid hoe langer hoe meer geluidsschermen langs de rails gezet. Mijn film wordt onderbroken, in plaats van de wisselende beelden verschijnt er een grijs vlak. Dat is trouwens in Nederland ook zo. En wij hebben dan ook nog de tunnel onder het Groene Hart om onze prachtige natuur van de koeien in de weilanden te beschermen. Ik weet niet meer hoeveel miljoenen dit kunstwerk gekost heeft en hoeveel Hollands geharrewar aan het definitieve besluit vooraf is gegaan. In ieder geval was ik tegen. Ik was het eens met Remco Campert die schreef dat een trein die door een overigens ongerept landschap rijdt, ook een prachtig schouwspel is. Denk aan de film Doctor Zhivago. Het heeft allemaal niet geholpen. Nu raas je in minder dan twee minuten onder het Groene Hart door en boven je hoofd worden steeds meer kneuterhuisjes gebouwd.

De trein nadert Parijs, de banlieue. Een voorstad is iets anders dan een buitenwijk. In de voorsteden wonen arme mensen, de overheid doet er zo weinig mogelijk aan, de blinde muren staan vol graffiti, het geheel ziet er ongewassen uit. Buitenwijken zijn groen. Veel landhuizen, hier en daar een Porsche voor de deur. Daar huist de rijkdom. Intussen zijn we op Garde du Nord. In de stad staat alles keurig op zijn plaats. Daarover valt niets nieuws te vertellen.

Op de terugreis naar buiten kijkend dacht ik onverhoeds dat ik misschien een ontdekking had gedaan. Ik begon naar de bevestiging te zoeken. En verbeeldde ik me dit, of zag de hele buitenwereld er wat verwaarloosder, slordiger, smeriger uit? In Brussel gaat het traject door het centrum, waarbij je kort maar goed in de zijstraten kunt kijken. Wat een rotzooi. Daarna in de omstreken van Antwerpen lege industrieterreinen en buitenwijken met veel huizen waarvan de rolluiken waren neergelaten. In de omstreken van Rotterdam van hetzelfde laken een pak, en tenslotte Amsterdam naderend, bij Schiphol kreeg ik weer die indruk. Er is een niet nader te beschrijven moedeloze slordigheid over het landschap en het stadsbeeld gedaald. Ongemerkt hebben we het gezicht van de crisis gekregen.