Column

Een ideaal in je broekzak

Is het mogelijk een leven van geleerdheid te combineren met politieke actie? Kun je verheven academische idealen verenigen met de morsigheid van het alledaagse leven? Deze vraag werd het afgelopen weekend met een duidelijk ‘ja’ beantwoord tijdens een bijeenkomst in Princeton ter ere van de ontwikkelingseconoom Albert Hirschman, die in december op 97-jarige leeftijd overleed.

Het leven van Hirschman was rijk en vol avontuur. Zijn binnenkort te verschijnen biografie Worldly Philosopher door Jeremy Adelman telt 758 bladzijden. Het geeft een scherp beeld van de 20ste eeuw, gekleurd door de bezetting en verwoesting, alsook de opbouw en ontwikkeling van grote delen van de aarde. Zoals velen van zijn generatie werd hij door de oorlogswinden over de wereld geblazen. Zijn favoriete term was ‘overtreden’. Iedere grens was een uitnodiging deze over te steken, in het bijzonder die tussen de academische en politieke wereld. Hij zei zelf: “Het idee van overtreden ligt in de kern van mijn denken. Iedere poging mij te beperken tot een specifiek gebied maakt me ongelukkig.”

Hirschman werd in 1915 geboren, midden in een door de oorlog gegrepen Berlijn, in een geassimileerd Joods gezin. Zijn vader was neurochirurg, zijn moeder verpleegster. Zijn kinderjaren waren redelijk comfortabel. Dit veranderde bruusk in 1933, toen zijn vader overleed en Hitler aan de macht kwam. Net achttien jaar oud besloot Hirschman naar Parijs te vluchten, waar hij economie en financiën studeerde. Na een jaar aan de London School of Economics sloot hij zich aan bij de antifascistische troepen in de Spaanse burgeroorlog. Hij kwam in een van de bloedigste gevechten terecht, maar sprak daar later nooit over. Nadat hij zijn doctoraat in Italië had behaald, keerde hij in 1939 terug naar Frankrijk, nu om tot het Franse leger toe te treden, om tegen de Duitsers te vechten.

Toen dat leger in juni 1940 ineenstortte, vluchtte Hirschman naar Zuid-Frankrijk. Daar hielp hij samen met de Amerikaanse journalist Varian Fry meer dan 2.000 Joodse en politieke vluchtelingen ontsnappen, onder wie prominenten als Marc Chagall, Marcel Duchamp, Max Ernst en Hannah Arendt. Hirschman had bij dat alles een onverbeterlijke optimistische instelling en kreeg de bijnaam Beamish (vol optimisme glimlachend). Snel leerde hij de praktische kant van de economie kennen. Hij moest geld wisselen op de zwarte markt, documenten en paspoorten vervalsen, boodschappen in tandpastatubes smokkelen en persoonlijk ontsnappingsroutes over de Pyreneeën verkennen.

Uiteindelijk lukte het hem om in 1941 ook zelf naar de Verenigde Staten te ontsnappen en stapte hij weer over naar de academische wereld. Met behulp van een beurs van de Rockefeller Foundation kon hij zijn studie in Californië vervolgen. Deze relatieve rust werd verstoord door het bombardement op Pearl Harbor. Hirschman meldde zich voor de derde keer in vijf jaar als vrijwilliger voor de oorlog, nu in het Amerikaanse leger. Hij was pas 26 jaar oud.

Omdat hij nu zes talen sprak en goede economische kennis had, speelde hij een belangrijke rol na de oorlog, eerst bij de Neurenbergprocessen, vervolgens bij de reconstructie van Europa en het Marshallplan. Als bureaucraat in Washington begon Hirschman zich echter te vervelen. Hij was een Europeaan pur sang en wilde graag definitief terug naar Frankrijk. Maar de Koude Oorlog was begonnen en de Amerikaanse inlichtingendienst vond zijn activisme in Spanje en elders maar verdacht. Hij werd tot zijn verbazing naar Colombia gestuurd – het begin van een levenslange relatie met Latijns-Amerika.

In Columbia begon hij steeds dieper na te denken over wat wel en niet werkt in de ontwikkelingseconomie. Het academische vlammetje begon te branden en, weer tot zijn verbazing, kreeg hij vervolgens de ene na de andere prestigieuze benoeming aangeboden. Via Yale, Columbia en Harvard werd hij uiteindelijk hoogleraar aan het Institute for Advanced Study in Princeton, als laatste van een lange reeks émigrés, te beginnen met die andere Albert.

Hirschman werd bij het grote publiek bekend door zijn duiding van de roerige jaren zestig. In Exit, Voice, and Loyality (1970) stelde hij het dilemma van de intellectueel centraal: moet je in protest het systeem verlaten of je stem van binnen laten horen? Hirschman had zelf in de moeilijkste situaties deze beslissing moeten nemen. Hij was ervan overtuigd dat reflectie en engagement zich lieten combineren.

Hoe Hirschman precies theorie en praktijk combineerde, hoorde ik het meest overtuigend uitleggen door een van zijn kleinkinderen. Toen die kleinzoon als vijfjarige na een lange wandeling in de Franse Alpen eindelijk de top van de berg had bereikt, wilde hij niet verder lopen. Hij had namelijk het ideale rotsblok gevonden, een perfecte zetel om van het uitzicht te genieten. Waarom zou hij doorlopen, beter werd het toch niet?

Zijn grootvader had een praktische oplossing. Hij pakte zijn pikhouweel, beitelde een klein stukje van de rots af en stopte dat in de broekzak van zijn kleinzoon. Zo kon hij zijn ideaal meenemen én de reis vervolgen.

In Hirschmans archief werd een map gevonden met de titel ‘Metaforen op zoek naar een toepassing’. Wat mij betreft was het stukje rots in de broekzak van zijn kleinzoon precies zo’n metafoor. Een brokje ideaal dat iedereen mee kan nemen, op zoek naar een nieuwe grens.