De wet van John Nunn

I n 1914 speelde wereldkampioen Emanuel Lasker in Berlijn een vriendschappelijke match van tien vluggertjes tegen de man die zeven jaar later zijn opvolger zou worden, José Raúl Capablanca. Lasker verloor met 6,5-3,5 en zei na afloop: „Het is opmerkelijk. U maakt geen fouten.”

Strikt genomen was dat natuurlijk niet waar. Het is mens noch computer gegeven om steeds de beste zet te doen, maar Lasker bedoelde natuurlijk dat Capablanca geen opzichtige fouten maakte, zelfs niet in vluggertjes.

Iemand heeft eens de partijen van topschakers van vroeger en nu vergeleken met de zetten die de sterkste computerprogramma’s zouden doen en hij concludeerde dat Capablanca’s zetten het meest met de computerzetten overeenkwamen, meer nog dan die van de helden van nu.

Bij alle kwaliteiten van Magnus Carlsen die ik hier al vaak heb beschreven, is er ook iet simpels: hij maakt geen fouten. Natuurlijk is hij geen supermens die altijd volmaakt speelt, maar zelden of nooit maakt hij wat ze in het tennis unforced errors noemen. De andere topschakers doen dat wel.

Ik schrijf dit op donderdagavond, na de elfde ronde van het kandidatentoernooi in Londen, dus wat er daar vrijdag is gebeurd weet ik nog niet. Kramnik Carlsen dus nog inhalen, maar we verwachten het niet. De laatste twee ronden zijn in het paasweekeinde, zondag en maandag.

Een van de mooiste partijen van het toernooi was die uit de negende ronde tussen Peter Svidler en Alexander Grisjtsjoek. Het was niet de klassieke schoonheid van vlekkeloze strategie, maar de wilde schoonheid van een catch-as-catch-can waarin beide spelers fouten maakten en zelfs de mogelijke winst van een stuk over het hoofd zagen.

De Engelse grootmeester John Nunn heeft eens de wet LPDO geformuleerd. Loose pieces drop off: onverdedigde stukken hebben de neiging verloren te gaan. Als Grisjtsjoek aan de wet van Nunn had gedacht, had hij op zijn 29ste zet het stuk gewonnen.

Het was aardig om de persconferentie van Svidler en Grisjtsjoek te zien, nadat ze ten slotte remise hadden gespeeld. Svidler was voortdurend aan het woord en het was werkelijk imponerend wat hij tijdens de partij allemaal berekend bleek te hebben, afgezien van die stukwinst dan. Grisjtsjoek zweeg meestal en maakte slechts af en toe een sceptische opmerking: „Noem je dit de stelling onder controle hebben?”

Toen ik naar hun analyses keek dacht ik: Carlsen zou die partij gewonnen hebben, of hij nu met wit of met zwart had gespeeld.

Peter Svidler-Alexander Grisjtsjoek, kandidatentoernooi Londen.

1. d4 Pf6 2. c4 g6 3. Pc3 Lg7 4. e4 d6 5. f3 0-0 6. Le3 c5 7. Pge2 Pc6 8. d5 Pe5 In een eerdere ronde speelde Radjabov zonder succes 8...Pa5 tegen Svidler. 9. Pg3 h5 10. Le2 h4 11. Pf1 e6 12. f4 Nu doet zwart meestal 12...Peg4 met het idee 13. Lxg4 Pxg4 14. Dxg4 exd5. 12...Pxc4 Maar Grisjtsjoek laat een bom ontploffen. Het idee is niet helemaal nieuw, want in Sriram - Adhibam, kampioenschap van India 2011, werd 12...h3 13. gxh3 Pxc4 gespeeld. 13. Lxc4 b5 14. Lxb5 exd5 Tot hier had Grisjtsjoek het voorbereid, maar hij zei dat hij wits volgende zet niet had overwogen, omdat alleen een maniak die zou doen. Hij bedoelde het als een compliment, geloof ik. 15. e5 dxe5 16. fxe5 Lg4 17. exf6 Als zwart een stuk offert, kan wit zijn dame offeren. Hij had zich aan zijn materiële voorsprong kunnen vastklampen, maar dan zou hij geen gemakkelijk leven hebben. 17...Lxd1 18. fxg7 Kxg7 19. Lxc5

Svidler was hier heel tevreden met zijn stelling. 19...h3 Maar dit venijnige zetje had hij gemist. 20. Txd1 hxg2 21. Tg1 gxf1D+ 22. Kxf1 Dh4 Er is een chaotische stelling ontstaan waarin zwart een dame en een pion heeft tegen drie stukken. Ik denk dat wit wat beter staat. 23. Tg2 Tfd8 24. Td4 De solide zet was 24. Ld4+. 24...Dh5 25. Tf4 Als wit nu nog 26. Ld4+ mag doen, zou zwart snel mat gezet worden, dacht Svidler, een beetje overdreven. 25...d4 26. Lxd4+ Txd4 Zwart geeft een kwaliteit om zelf de aanval over te nemen. 27. Txd4 Tb8 28. a4 a6 29. Lxa6 Een grove onvoorzichtigheid die niet bestraft wordt. 29...Df3+ Met 29...De5, wat niet alleen 30...Dxd4 maar ook 30...Df6+ dreigt, zou zwart een stuk winnen, waarna wit hard voor remise zou moeten vechten. 30. Tf2 Dh1+ 31. Ke2 Txb2+ 32. Td2 Dc1 33. Kd3 Tb6 34. Lc4 Td6+ 35. Ld5 Td7 36. Tf4 f5 Wit staat beter, maar met de opmars van de f-pion verschaft zwart zich tegenkansen. 37. Td4 Kh6 38. h4 Tc7 39. Lc4 Df1+ 40. Te2 f4 41. Kc2 f3 Remise. Svidler was waarschijnlijk moegebeukt, want hij legt zich wel erg snel bij remise neer. Er zou kunnen volgen 42. Tee4 Dg2+ 43. Kb3 f2 44. Tf4 Txc4 45. Txc4 f1D 46. Txf1 Dxf1 en al kan zwart wits a-pion wel stoppen, de verdediging zou beslist geen pretje voor hem zijn.