Zoek het in lokalisme

Huldiging van het Nederlands elftal in Amsterdam als Europees kampioen in 1988 Foto ANP

Wat is een natie? van Ernest Renan (1823-1892) is de weerslag van een lezing die de beroemde Franse historicus in oerversie gaf in 1877 aan de Leidse universiteit. Dit mooi bezorgde boekje is verplicht bezit voor iedereen die zich afvraagt hoe het verder moet met Nederland. De natie is een betrekkelijk nieuw fenomeen, vertelt Renan. Tot ver na de Middeleeuwen heersten heersers over zeer uiteenlopende soorten onderdanen. Pas in de moderne tijd ontstaan vormen van nationale eenheid. De natie gelijkschakelen met natuurlijke grenzen of bloedbanden of geloof is dus een grote fout. Landsgrenzen zijn het resultaat van oorlog of overerving. Ook geloof, ras of dynastie leveren van dichtbij bekeken zulke rommelige verzamelingen mensen op, dat je op die basis nooit van ‘ons’ kunt spreken.

De natie is het product van gedeelde geschiedenis, benadrukt Renan, van overwinningen en feesten die we vieren en nederlagen die we vergeten. ‘De essentie van een natie is dat alle individuen veel met elkaar gemeen hebben, maar ook dat allen heel wat vergeten zijn.’ We onthouden dat we in 1988 Europees kampioen werden, we vergeten dat de uitvinder van de apartheid een Nederlander was. Die gedeelde geschiedenis werkt door in de toekomst en dat is wat mensen volgens Renan bindt.

Het bestaan van een natie is een ‘dagelijkse volksraadpleging’ in de ogen van Renan: in het heden openbaart zich de bereidheid het leven gezamenlijk voort te zetten. Zijn betoog is een afstraffing voor nationalisten die de natie voor een homogeen, harmonieus verband houden én voor kosmopolieten die denken dat de natie iets voor onnozelaars is. Die laatsten zetten wel de toon tussen, zeg, 1960 en 2000. De natie was ‘te klein voor de grote problemen en te groot voor de kleine problemen’, zo halen de bezorgers van het boek in hun epiloog minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo in 1995 aan. Emotionele binding werd weggedacht. Ten onrechte, zoals bijvoorbeeld het debat over Europa de laatste tijd toont.

Toegang

In Nederland als vervlogen droom mengt Thijs Kleinpaste (1989) zich nu scherp in dit nationalisme-debat. Kleinpaste noemt zich ‘kind van Pim Fortuyn’, lid van de generatie die een wereldbeeld moet zoeken ná de culturele en politieke crises van de afgelopen jaren. Zijn stelling is dat de natiestaat in de 19de eeuw twee vliegen in één klap sloeg, door tegelijkertijd individuele vrijheid (ontsproten aan de Verlichting) en gemeenschap (geworteld in de Romantiek) mogelijk te maken. Uitbreiding van wetgeving maakte voor meer mensen meer greep op het eigen leven mogelijk: meer toegang tot de rechter, meer inspraak in de politiek, meer toegang tot onderwijs. En door méér mensen die vrijheid te bieden bood de natiestaat lotsverbondenheid, een warm thuis.

Deze ervaring kan de natiestaat volgens Kleinpaste (óók actief in D66 maar niet zo’n laconieke denker als Van Mierlo) jammer genoeg niet meer waarmaken. Aan de ene kant zijn we inmiddels bijna allemaal rijk, geëmancipeerd en slim: door en door geïndividualiseerd als we zijn, hebben we elkaar nu minder nodig dan in de 19de of 20ste eeuw. Aan de andere kant is wat rest aan wetgeving uitbesteed aan internationale fora als de Europese Unie: we kunnen als Nederlanders ook niet zoveel meer met elkaar. ‘De veilige cocon van de natiestaat is geperforeerd, voorlopig zonder alternatief. Dit ontbreken van een nieuwe, levensvatbare drager van collectieve zelfdeterminatie is de bron van woede, irritatie en verdriet’, concludeert Kleinpaste. Het alternatief voor de nabije toekomst zoekt hij in een radicale vorm van lokalisme: ‘als meest potente vorm van collectief handelen moet het kleinst mogelijke bestuurlijke niveau worden uitgerust met collectieve rechten, met een politieke stem en met bestuurlijke macht’.

Is emotionele binding door het nationale inderdaad betekenisloos geworden? Als Nederland los zand is, zoals Kleinpaste stelt, hoe komt het dan dat bij een referendum over Europa zo’n grote meerderheid van de bevolking Nederland hoger aansloeg dan Brussel? Of dat toen zo’n duidelijke verdeling te zien was tussen het rijke Bloemendaal (iedereen vóór Brussel) en het arme Pekela (iedereen tégen Brussel). Verdeeldheid, misschien, maar individualisering, nou nee. Wat zich mogelijk wreekt is dat Kleinpaste voor zijn geschiedenis gebruik maakt van mild-optimistische denkers (Alexis de Tocqueville, Isaiah Berlin). Maar om het heden te duiden leunt hij op de in feitenvrij gesomber uitblinkende Poolse socioloog Zygmunt Bauman, die wel weet wat intellectuelen denken maar niet wat mensen doen.

Kleinpaste schrijft geëngageerd en goed. Ook hij laat zien dat collectieve lotsbestemming een product van de tijd is, dat de natiestaat geen onveranderlijk gegeven is. En onder invloed van internet, Europa en de verzorgingsstaat die afdaalt naar de stad, is het nu inderdaad logisch om meer in netwerken en buurten actief te zijn en minder te verwachten van de staat.

Feesten

Maar met iets meer empirisch onderzoek had Kleinpaste beter gezien dat wat mensen óók naar nationalisme drijft, de verwachting is dat alleen via Den Haag ietwat tegenwicht geboden kan worden aan bankiers of eurocraten die maling hebben aan lokale activisten. Ze kijken niet naar de natiestaat omdat ze een vervlogen droom aanhangen, maar omdat democratie werk in uitvoering is. De terechte nadruk die Kleinpaste legt op het belang van praktische ervaringen als basis voor politiek, kan ook makkelijk nog in het nationale gevonden worden. Patriottisme is niet per se het brullen van oranje blanje bleu. In het voetspoor van Renan op zoek naar nieuwe, gedeelde ervaringen en feesten: waarom niet in plaats van tweede paas- of pinksterdag een vrije dag nadat we onze belastingaangifte hebben ingediend, het hele land een vrijmarkt ter ere van de publieke zaak?