Zandtermiet maakt elfencirkel

Er wordt al veertig jaar gezocht naar de oorzaak van de vreemde cirkels in de Namibische woestijn. Een Duitse ecoloog heeft de oplossing: termieten.

Is de Duitse hoogleraar Norbert Jürgens de man die het mysterie oplost van de fairy circles – elfencirkels? Deze wonderlijke kringvormige kale stukken zand, omgeven door een strook hoog gras, vind je met tienduizenden in de woestijn van Namibië. In de volksoverlevering zijn ze aangelegd door goden of geesten. Wetenschappers proberen al veertig jaar meer tastbare verklaringen te vinden. Zonder succes. Tot vandaag. Norbert Jürgens, hoogleraar biodiversiteit, evolutie en ecologie van planten in Hamburg, denkt nu de oorzaak voor eens en altijd te hebben achterhaald: de zandtermiet Psammotermes allocerus. Vandaag publiceert hij zijn onderzoek in Science.

Het onderzoek van Jürgens is zo gedegen en nauwgezet dat alle eerdere verklaringen van tafel lijken geveegd. Er zou in de cirkels geen gras groeien omdat de radioactiviteit er lokaal verhoogd is. Of dode exemplaren van de struik wolfsmelk zouden een giftige substantie uitscheiden die gras doodt. Ook termieten zijn al aangedragen als de veroorzaker van de kale plekken. Maar niet de zandtermiet die Jürgens nu voorstelt, maar een andere soort (Hosotermes mossambicus).

De Duitse ecoloog koos 40 locaties in de Namibische woestijn en op elke plek onderzocht hij 30 tot 100 fairy circles minutieus. Welke soorten komen er voor? Is er water? Hoeveel?

Hij ontdekte dat bij bijna alle cirkels maar één organisme consequent werd aangetroffen: de zandtermiet Psammotermes allocerus. Ook vond hij aan de randen een typisch kenmerk van deze zandtermiet: om de grassprieten zat een soort gemetselde laag zand. „Die laag zie je lang niet altijd omdat hij wordt vernietigd door de regen of door grote grazers”, laat Jürgens via email weten. Ook trof de Duitse ecoloog bij bijna alle cirkels een ondergronds netwerk aan van tunnels en galerijen, waarvan de wanden waren bedekt met een karakteristieke zwarte laag van organisch afval. Ook dit is bijzonder. Onderzoekers hebben vaak naar ondergrondse termietengangen gezocht, maar zelden gevonden. Hoe kan dat? „Je moet de bovenlaag van de grond heel voorzichtig en met grote zorg wegblazen. Als je met een schep aan de gang gaat krijg je de galerijen niet te zien. De wanden storten dan meteen in”, schrijft Jürgens.

Zijn onderzoek sluit mooi aan bij dat van de Amerikaan Walter Tschinkel. Die beschreef vorig jaar de levenscyclus van de cirkels, gebaseerd op satellietfoto’s, beelden van Google Earth en foto’s van toeristen, allemaal over meerdere jaren genomen – als toerist kun je een cirkel kopen, en met de opbrengst wordt lokaal natuurbeheer betaald. Bekend was al dat de cirkels uitsluitend op zandgrond voorkomen, in een gebied waar jaarlijks gemiddeld slechts 100 millimeter regen valt. Tschinkel ontdekte dat de grootste cirkels, met een gemiddelde diameter van 10 meter, in Angola liggen. Richting Zuid-Afrika krimpen ze. Daar zijn de cir kels gemiddeld nog maar 2 meter in diameter. Cirkels komen en gaan. Als ze ontstaan hebben ze al bijna direct hun definitieve grootte. Binnen vijf jaar verschijnt de rand met hoog gras. De gemiddelde levensduur van een cirkel is 41 jaar, zag Tschinkel (PLOS ONE, 2012).

De Duitse hoogleraar Jürgens trof ook bij de jongste cirkels consequent de zandtermiet aan. Hij denkt dat de termieten in een cirkel alle planten en zaden wegeten. Met een duidelijk doel. Valt er regen dan verdampt het water niet meteen via de planten, maar het sijpelt door tot dieper in de grond. Daar vormt zich een waterreservoir. Op dat water kunnen de termieten overleven, en het maakt tegelijk de groei van meerjarige grassen aan de rand van de cirkel mogelijk. Het zaad van dat randgras kan weer als voedsel dienen voor de termieten.

Jürgens noemt Psammotermes allocerus een actieve ingenieur van het landschap die zich kan meten met de bever. Doordat de zandtermiet een leefbare omgeving voor zichzelf weet te creëren, trekt hij talloze andere soorten aan. Mieren die de termieten eten. En gekko’s, aardvarkens, mollen, spinnen, vossen, jakhalzen. Bomen als de kameeldoring, een acaciasoort. De zandtermiet verandert woestijnachtige gebieden met alleen maar kortdurend leven in een rijk graslandschap. Leve de zandtermiet!