Waar de wetten zwijgen

Graaiende bankiers hoeven zich niet schuldig te voelen wanneer ze geconfronteerd worden met wetten die van hun gedrag een misdaad maken. Dat betoogt Arnold Heumakers aan de vooravond van de Maand van de Filosofie, die als thema heeft ‘Schuld en boete.’

Illustratie Robert Buizer

s het nou Schuld en boete of Misdaad en straf? Tegenwoordig wordt de titel van Dostojevski’s grote roman uit 1866 gewoonlijk als Misdaad en straf vertaald. Dat komt ook het meest overeen met het oorspronkelijke Russisch, heb ik mij laten vertellen door een bevriende Slavist. Schuld en boete was overgenomen uit het Duits (Schuld und Sühne), de taal waaruit Dostojevski’s romans aanvankelijk werden vertaald.

Toch zijn schuld en boete daarmee nog niet uit zicht verdwenen. De combinatie vormt het thema van de komende Maand van de Filosofie, en dan is – met dank aan Dostojevski en zijn vertalers – ook de gedachte aan misdaad en straf nooit ver weg. Beide horen bij elkaar, zonder samen te vallen. Maar waarin precies het verschil zit, dat laat zich nog niet zo eenvoudig vaststellen.

Schuld en boete hebben een christelijke bijklank. Ik zie een monnik voor me die zichzelf geselt in zijn kloostercel, God smekend om vergiffenis. Bij misdaad en straf denk ik eerder aan een gevangene die door beulsknechten naar het schavot wordt gesleept om daar voorgoed zijn hoofd te verliezen. Extreme beelden, ik geef het toe, maar soms moet je overdrijven om duidelijk te zijn. Schuld en boete zijn allereerst privé, moreel, je moet het voelen of het is er niet; misdaad en straf zijn publiek, een zaak van wetten en rechters, wat je erbij voelt blijft secundair.

Voel ik mij schuldig als ik een misdaad heb begaan, dus alss ik de wet heb overtreden? Dat ligt er maar aan. Ik kan een wet, bijvoorbeeld het rookverbod in cafés, ook onzinnig vinden. Een poging van de staat om ‘gezondheid’ te misbruiken voor eigen machtsuitbreiding. Word ik betrapt, dan moet ik de straf accepteren, maar schuldig voel ik mij niet en van boete kan geen sprake zijn.

Het omgekeerde is natuurlijk ook mogelijk. Ik voel mij schuldig over iets dat niet door de wet wordt verboden. Wie een vriend verraadt om zijn eigen carrière te bevorderen pleegt geen misdaad, maar kan wel degelijk achteraf door schuldgevoelens worden bekropen en verlangen naar boetedoening.

In Dostojevski’s roman komen beide uiteindelijk samen: Raskolnikov heeft uit hoogmoed en geldnood twee oude vrouwtjes vermoord, een evidente misdaad, gepleegd in de waan boven de wet te staan, maar daarna dringt de schuld zich op. Het eind van het liedje is dat hij boete verlangt en de straf die hem wordt opgelegd verwelkomt. Dostojevski laat in zijn roman zien hoe misdaad en straf kunnen veranderen in schuld en boete.

In een volmaakte wereld zou deze verandering zich bij elke misdadiger moeten voltrekken. Maar omdat we niet in een volmaakte wereld leven, blijft er vaak een discrepantie, die tot veel misverstand aanleiding kan geven.

Neem onze omgang met het zwarte slavernijverleden, een onderwerp met een grote emotionele geladenheid voor de nazaten van de vroegere slaven. Slavernij geldt tegenwoordig als iets afschuwelijks, iets waar je simpelweg niet vóór kunt zijn. Maar welke blanke Europeaan voelt zich schuldig? Je hebt er persoonlijk niets mee te maken gehad, het is te lang geleden, en – een derde complicerende factor – toen de slavernij nog bestond, was het helemaal geen misdaad. Dat is het pas achteraf geworden. Waarom zou iemand zich schuldig voelen over iets dat geen misdaad was en dat hij niet heeft gedaan?

Wat die nazaten werkelijk dwars zit, dat zijn de consequenties van de slavernij van weleer: de angst altijd tweederangs burgers te zullen blijven, nooit helemaal voor vol te worden aangezien. Het gaat om een roep om erkenning. Erkenning van slachtofferschap, maar vooral erkenning van gelijkheid. Wie zichzelf niet de gelijke van zijn medeburgers voelt, staat overal buiten – in elk geval in eigen ogen. Dat zou voor de blanke Europeanen een motief kunnen zijn om desondanks schuld te bekennen, een symbolische schuld, bedoeld om de sociale cohesie te bevorderen en duurzame wrok te voorkomen. Maar wie ook nog boete, laat staan straf verlangt, overspeelt zijn hand. En loopt het gevaar dat de schuldbekentenis uitblijft of alle betekenis verliest.

Er bestaat een overeenkomst tussen de schuld van de blanke Europeanen voor de slavernij en die van de bankiers voor de huidige economische crisis. In beide gevallen ontbreekt de misdaad, afgezien van die paar veroordeelde oplichters. De meeste bankiers (en hetzelfde geldt voor de falende managers in andere bedrijfstakken, die dezer dagen aan de schandpaal worden genageld) bleven binnen de grenzen van de wet. Wat ze hadden gedaan was misschien ongepast, maar tot dat inzicht zijn de meesten – if ever – pas achteraf gekomen, nadat de crisis zijn verwoestende werk had gedaan. En nadat de onvermijdelijke overheidscommissie er haar kritische licht over had laten schijnen.

Waar de wetten zwijgen, kan de burger doen wat hij wil. Dat geldt ook voor bankiers en managers. Vandaar dat het publiek alleen, via de media, op hun schuldgevoel kan werken en boete verlangt. Terugstorten die bonussen, hier met die veel te lucratieve vertrekpremies! Maar ‘graaien’ is geen misdaad, net zo min als winstmaximalisatie, en hebzucht, hoewel een christelijke ondeugd, behoort tot de normale menselijke eigenschappen. Bijna iedereen is er in meer of mindere mate mee behept. Geen wonder dat bijna niemand zich schuldig voelt. Menige in het nauw gebrachte ‘graaier’ zal vinden dat juist hém onrecht wordt aangedaan.

Bij de slavernij speelt de geschiedenis een ontlastende rol: het is allemaal zo lang geleden. Bij de bankencrisis ontbreekt de geschiedenis evenmin, maar het verleden is er nog zeer recent. Degenen die worden beschuldigd, hebben dat waarvan ze beschuldigd worden wél zelf gedaan. Dat is een verschil, zij het geen doorslaggevend, want voor de graaiende bankiers en managers geldt hetzelfde excuus als voor de slavenhouders van weleer: iedereen deed het, toen, het was normaal. Ongeacht of het tien of een paar honderd jaar terug is.

Een ander verschil vormt het kapitalistische systeem, dat leeft van – onder andere – hebzucht en het ongeremd najagen van eigenbelang. Bij de slavernij is het hooguit incidenteel, bij de banken essentieel. Ondanks de ernst van de crisis denkt bijna niemand erover om het kapitalisme af te schaffen, want wat zou ervoor in de plaats moeten komen? De alternatieven van de 20ste eeuw (communisme, fascisme, nationaal-socialisme) hebben zich dusdanig gediskwalificeerd, dat geen mens ze bij zijn volle verstand weer kan aanbevelen. Alleen het communisme geniet nog een dubieuze populariteit, als alibi bij aspirant-dictators en als ‘idee’ bij wereldvreemde of provocerende filosofen.

Dat het kapitalisme alle concurrentie achter zich heeft gelaten, onderstreept dat we hier met een succesverhaal te maken hebben. Voor dat succes bestaat een objectief bewijs: de gestage toename van de wereldbevolking. Uiteraard is die toename niet alleen de verdienste van het kapitalisme, ook wetenschap, techniek en cultuur hebben eraan bijgedragen. Maar die zijn zozeer verweven met de kapitalistische economie, dat het amper mogelijk is ze nog uit elkaar te halen.

Het kapitalisme is dus onze economische biotoop. Even onmisbaar als onontkoombaar. Maar dat maakt het nog niet volmaakt. In het succesverhaal barst ’t van de zwarte bladzijden. Je zou ook kunnen spreken van uitwassen of excessen. Daarin lijkt het kapitalisme op de natuur, zowel die van onszelf als die van de rest van het aardoppervlak. Het blijft uiteraard een metafoor, maar wel een die te denken geeft. De fixatie op groei, het onverzadigbare ‘meer’ van de kapitalistische economie vinden we ook bij planten en dieren. Laat de natuur haar gang gaan en alles groeit dicht en raakt vol – onleefbaar voor de mens, die zelf overigens geen andere natuur heeft. Alle natuur is per definitie excessief.

Volgens Thomas Hobbes was de mens een soort natuurlijke machine, met begeerte als brandstof. ‘Het ontbreken van begeerten staat gelijk aan de dood’, schrijft hij in Leviathan (1651). Maar luisteren we naar Aristoteles in diens Politica, dan is de mens ook een ‘sociaal’ of ‘politiek dier’, een wezen dat niet buiten de gemeenschap met anderen kan. Beide filosofen hebben gelijk en dat maakt de zaak ingewikkeld, maar verklaart ook de uitweg: in de mens heeft de natuur de cultuur voortgebracht, die tot taak heeft de natuurlijke excessen te beteugelen. Zo kan de wilde natuur veranderen in een – leefbare – tuin.

De natuur als zodanig heeft noch met schuld en boete, noch met misdaad en straf ook maar iets te maken. Dat geldt niet voor de cultuur, de dimensie van het menselijke leven waar hun vaak verwarrende drama zich afspeelt; de cultuur is het domein bij uitstek van de moraal en van het recht. Daar vinden we de middelen om de excessen van onze economische biotoop te lijf te gaan. Maar wel alléén de excessen, en niet, zoals in het communisme, het hele systeem – dat zou op zichzelf weer een exces zijn, dat de problemen enkel verplaatst (de partij en haar leiding worden de hebzuchtige graaiers), zonder ze op te lossen.

De neoliberalen die geloven dat het vanzelf gaat, vergissen zich. Dat bewijst de huidige crisis. Ook volgens hun 18de-eeuwse voorlopers ging het niet helemaal vanzelf. Bernard Mandeville en Adam Smith waren ervan overtuigd dat wie zijn eigenbelang najoeg daardoor het algemeen welzijn diende. Private vices, public benefits, luidt de ondertitel van Mandevilles Fable of the bees (1714), maar wie de tekst goed leest, zal zien dat aan deze koppeling ook wijze ‘staatskunst’ te pas komt.

Smith, op zijn beurt, geloofde niet in de gunstige effecten van de politiek, maar het is geen toeval dat de invisible hand die bij hem de koppeling tot stand brengt, voor het eerst voorkomt in zijn Theory of moral sentiments (1759): bij de wonderbaarlijke coïncidentie van individueel en gemeenschappelijk belang speelt ook het ‘morele gevoel’ een rol. Niet dat de markt zich iets aantrekt van de moraal, maar dat is wel zo bij de mensen die er met elkaar handel drijven. Zo zitten ze nu eenmaal in elkaar.

Met enige goede wil komen we hier opnieuw zowel schuld en boete (Smith) als misdaad en straf (Mandeville) tegen. De les die eruit kan worden getrokken lijkt me de volgende: wanneer het een niet werkt, moet het ander worden ingezet. Anders dan de blanke Europeanen met hun slavernijverleden, dienen de bankiers en managers die zich niet schuldig voelen over hun natuurlijke excessiviteit, te worden geconfronteerd met wetten die er een misdaad van maken. Waarna we in een onvolmaakte wereld als de onze alleen maar kunnen hopen dat de misdaad, net als in Dostojevski’s roman, op den duur nog eens zal veranderen in schuld, de straf in boete.