Verdwenen kosmonauten

Ik weet nog precies waar dichteres Florence Tonk (1970) mij voor het eerst raakte. Dat was in de negende regel van haar gedicht ‘Kleine ingreep’, uit haar nieuwe bundel Rijgen. Een gedicht over een behandeling die door de medische stand een kleine ingreep wordt genoemd. ‘Men is tot actie overgegaan’, zo luidt de eerste regel. De benen van de vrouw worden in beugels gelegd. Er komt een karretje aan te pas, ‘met glanzend/ roestvrijstaal, een pomp, de lepels’ – en dan weten wij wel om welke kleine ingreep het gaat: de curettage, het leegzuigen van de baarmoeder. Het routineklusje is snel geklaard. Dan volgt er deze, wat minder medische toelichting: ‘U bent nu schoongemaakt, de bodem,/ het weefsel is van de zelfvoorzienende/ planeet geschraapt waar even/ toevallig twee/ kleine kosmonauten leefden.’

Dat was het moment waarop ik het gedicht werd ingezogen. Hier breekt opeens de moeder door de tekst heen – met een beeld dat grote gevoelens verraadt, maar ook grote afstand. Zij heeft een tijd lang mogen denken dat ze moeder van een tweeling zou worden. Ze waren nog heel klein, en door hun kleinte als het ware nog heel ver weg, als kleine kosmonauten op een verre planeet in een groot universum, maar nu heeft ze moeten toezien hoe deze twee kleine mannetjes toch bij haar zijn weggehaald, weggeplukt van de planeet die haar baarmoeder was. Na deze regels zijn het de medici die het woord nemen: ‘Hun reis liep niet voorspoedig./ Wat u na enkele weken zag bewegen/ in dat gruizig universum op het scherm/ kunt u maar beter/ zo snel mogelijk vergeten.’ En daarmee is de kleine ingreep beëindigd.

De verrassing van dit gedicht zit niet alleen in het beeld, maar ook in het perspectief. Door de artsen wordt er vanuit de hoogte neergekeken op de patiënt, die op haar beurt heel ver verwijderd is van wat er in haar eigen lichaam gebeurt. Het is een rouwgedicht, maar het bijbehorende gevoel van bedroefdheid is ver weg.

Het verlangen naar een kind is groot. Dat blijkt ook uit het gedicht waarin Tonk vertelt hoe zij, op vakantie in Mexico, bij een openluchtkapel kaarsen aansteekt en in stilte een gebed uitspreekt. Zij hoopt dat haar bede verhoord zal worden en zal leiden tot ‘een levende’. Zo niet, dan hoopt ze dat ze verlost mag worden van ‘de zucht in al mijn leden [...] naar iets dat mollig is en zoet ruikt’.

Nestjaloezie

Wat zou er van haar leven overblijven als de allesoverheersende kinderwens er niet meer zou zijn? Het lijkt een in alle opzichten steriele toekomst. Zij stelt zich ‘een vrij en ledig verder leven’ voor, samen met haar man, ‘de man die zo stil kan lezen/ zo blauw kan kijken.’ Het is wat je noemt een helder vooruitzicht. Leegte, stilte, ‘en twee keer naar de dood’. Als er geen kind komt heeft het leven niets meer te bieden.

Met deze twee gedichten is wel zo ongeveer de kern van deze bundel gegeven. Er komt in deze 25 gedichten en 6 prozagedichten van alles voorbij, maar Rijgen is toch vooral gewijd aan de kinderwens. Het gaat over ouder worden, onvervuldheid, leegte, er niet meer bij horen, jaloezie op ‘de nesten’: de gezinnen met kleine kinderen. J.C. Bloem dichtte: ‘Altijd november, altijd regen,/ altijd dit lege hart, altijd.’ Tonk: ‘Altijd november en nog steeds/ een lege schoot /een half leven dichter/ bij de dood.’ Het stille leed van de ongewenste kinderloosheid heeft hier stem gekregen. De onderzoeken, het wachten, het tikken van de biologische klok, de haast en het ongeduld. ‘Alles is nu tijd.’

Je zou denken dat dit gegeven tot louter larmoyante poëzie zou leiden, maar dat is niet zo. Tonk is afwisselend eerlijk en afstandelijk, nu weer eens kritisch en cynisch, dan weer gevoelig. Haar lotgevallen worden bovendien verweven met die van haar generatie, de late dertigers en vroege veertigers die ergens in hun overvolle leven de weg zijn kwijt geraakt. ‘Vluchtgedrag’ is de sprekende titel van het gedicht waarin deze tijdgeest schamper tegen het licht wordt gehouden. Het lange titelgedicht ‘Rijgen’ is een portret van deze generatie – zo druk met het aaneenrijgen van de dagen dat er geen tijd meer over is.

Fruithapjes

Bij een roman of een thriller hoor je het einde niet te verklappen, maar in het geval van deze kinderwensdichtbundel mag het vast wel. Het wonder blijkt zich toch nog te voltrekken: zwangerschap, bevalling, gezonde zoon, de komst van ‘de langverwachte’. Het leidt niet tot de beste gedichten uit deze bundel (borstvoeding, fruithapjes, luiers), maar wel tot groot geluk. De grote vraag is nu natuurlijk of het vervulde moederschap het dichten overbodig zal maken.