Spaar me de kitsch van uw klasse

De Minima moralia van Adorno komt uit het hart van een vernietigde wereld en een wanhopig man. ‘Zelden kom je filosofie tegen die zo van urgentie en paniek doordesemd is’, aldus P.F. Thomése.

ls held van ‘oud links’ is hij met de hele inboedel op de vuilnisbelt van de geschiedenis beland. Ik denk dat niet één universiteit zijn Kritische modellen nog in het curriculum heeft opgenomen. Dat is maar goed ook: als collegestof was ‘het linkse geweten’ Theodor W. Adorno (1903-1969) een zaaddoder eersteklas. Dit gezegd zijnde, is het de hoogste tijd hem eindelijk te gaan lezen. En dan niet meteen zijn theoretische geschriften, zoals Negative Dialektik, want dan krijg je dat zaaddodende weer, maar zijn stille meesterwerk Minima moralia.

Reflecties uit het beschadigde leven, luidt de ondertitel van deze briljante verzameling teksten, die hij schreef tijdens zijn Amerikaanse ballingschap gedurende de naziterreur en vlak daarna. De profundis, vanuit de diepte, op de bodem van zijn wanhoop.

Als je de Minima moralia leest, is het moeilijk voorstelbaar dat de studenten met Adorno in de hand zingend en dansend de komst van een nieuwe maatschappij verkondigden. Zelf zag hij dan ook weinig hoopvols in de ‘maatschappijkritiese’ studentenrevoltes, waar hij in zijn laatste levensjaren getuige van was. (Hij stierf in 1969 in ‘studentenaksiesentrum’ Frankfurt.)

Hij was im letzten Ende een utopist, dat is waar, maar zeker niet eentje van het soort dat de blije aquariuskinderen verlangden. Je kunt op de bladzijden van de Minima moralia de rook van Auschwitz nog ruiken. De Reflecties uit het beschadigde leven zijn afkomstig uit het hart van een vernietigde wereld. Op deze bladzijden is een man aan het woord van wie alles is afgenomen, behalve de hoop.

‘Er bestaat niets onschuldigs meer […] Zelfs de bloeiende boom liegt zodra je zijn bloesem gadeslaat zonder de schaduw van de verschrikking te zien […] Er is geen schoonheid en geen troost meer behalve in de blik die zich tot de gruwel richt, hem weerstaat en in het onverminderd besef van de negativiteit vasthoudt aan de mogelijkheid van het betere.’

Dwars door de ellende heen denken, tot in the heart of darkness en daar tot aan het gaatje van de anus mundi. En ondertussen ‘de mogelijkheid van het betere’ proberen vast te houden.

Het enige wat hij tot zijn beschikking heeft, is een pen. En daarmee zit hij over het papier gebogen, zich een uitweg denkend uit een wereld waar ‘alle muizenholletjes zijn dichtgestopt’.

Je kunt dit werk misschien het beste typeren als ‘denkbewegingen’: zijn geest beweegt zich in de 153 verzamelde stukjes alle kanten op. Hij onderzoekt de mogelijkheden, zelfs al zijn het onmogelijkheden. Essays zijn het, in de klassieke betekenis van ‘pogingen’. In de beeldende kunst zouden het ‘schetsen’ worden genoemd. Iets proberen te begrijpen door het op papier voor je te zien.

Adorno schreef zijn Minima moralia in 1944 (eerste deel), 1945 (tweede deel) en 1946-47 derde deel) ver van huis, in zijn Amerikaanse ballingschap, waar hij als vluchteling voor de nazi’s toe veroordeeld was. Zelden kom je filosofie tegen die zo van urgentie en paniek doordesemd is. Het heimwee, het zich verloren weten, lees je door de woorden heen.

Als Adorno nog leefde, zou hij me overigens misprijzend op de vingers hebben getikt. Wat ik hier doe, is ‘onmiddellijk spreken van het onmiddellijke’ en dat leidt tot ‘het pseudorealisme van de cultuurindustrie’, die hele zwendel waarmee de werkelijkheid aan het oog wordt onttrokken. Sorry Theodor Wiesengrund, dat ik me even liet gaan. Ik zal mij voortaan spiegelen aan Marcel Proust, die de hoffelijkheid bezat ‘de lezer de gêne te besparen zich voor slimmer te houden dan de auteur’.

Streng kun je hem gerust noemen, Adorno. Ik denk ook dat daar het misverstand is ontstaan dat je alles moet geloven wat hij zegt.

Hij gelooft het zelf niet eens altijd! In zijn borst leven twee Duitse zielen: de ene is de romantische kunstenaarsziel van de man die opgroeide in een muzikaal gezin en die compositielessen volgde bij Alban Berg, de andere behoort toe aan de keiharde hegeliaanse idealist die uitgaat van wetmatige historische bewegingen, waar het individu slechts een tierelantijntje van is, de nietige uitdrukking van iets wat te groot voor hem is om te bevatten.

Die innerlijke verwarring moet je steeds voor ogen houden als je hem leest.

Natuurlijk, er is die onverbiddelijke Kritische Theorie van hem, waaraan hij eerst samen met Max Horkheimer werkte, en later alleen. Met die Theorie wilde hij de hele maatschappij en de daarbij horende werkelijkheid ontmaskeren. Zo romantisch was hij ook wel weer. Vrijheid, droom, echtheid, individualiteit: valse woorden. Kitsch van een zichzelf feliciterende klasse die het ware (economische) onrecht aan het oog probeert te onttrekken. Je zou denken dat de gevluchte Adorno bij zijn maatschappijbespiegelingen allereerst het gelijkgeschakelde Hitler-Duitsland op het oog had, maar grappig genoeg verwijst hij even graag naar zijn gastland Amerika, waar het burgerlijk-normatieve met zijn lege rituelen hem verstikt.

Leerstuk van de Kritische Theorie is dat de maatschappij zich sinds de Verlichting ontwikkelt in de richting van een collectieve massa van conformistische consumenten. Productiedwang reduceert alle menselijke activiteit tot betalingsverkeer, met als gevolg dat middel doel geworden is. Wat niet gekocht kan worden, heeft in de consumptiemaatschappij geen waarde meer en zal verdwijnen. Het kapitalisme leidt, in weerwil van zijn liberale verheerlijking van het vrije individu, tot een steeds onpersoonlijker samenleving, waar het afwijkende, het vreemde, het onbegrijpelijke, het oninwisselbare uiteindelijk niet meer worden getolereerd.

Het vervelende van wetmatigheden is dat er niets meer aan te doen is, en daar baalt Adorno zelf ook van. Zijn eigen theorie groeit hem af en toe duidelijk boven het hoofd. Vandaar dat hij zich in de Minima moralia enige inconsequentie toestaat. Gelukkig voor ons, lezers. Want dan is hij op zijn best.

Het begint er al mee dat hij volgens zijn eigen theorie de totale cultuur als vals moet ontmaskeren: elke roman, gedicht, muziekstuk etc. is immers volgens de marxistische leer een schijnvertoning die de ware (productie-)verhoudingen verbloemt. Maar arme ‘Teddie’, hij houdt zo van die valse cultuur, hij is erin opgegroeid, met een operazangeres als moeder, en, o god, wat mist hij in het barbaarse Amerika de oude, verdwenen omgangsvormen. Hij weet, het is bourgeois, maar, zo verzucht hij, wat is het jammer dat niemand meer weet hoe je een deur ‘zacht, behoedzaam en toch stevig’ dient te sluiten.

Door de toenemende vertechnisering hebben we de verfijnde omgang met de dingen verloren. ‘Ze bant alle aarzelingen uit het gedrag, alle bedachtzaamheid, alle beschaving. Ze maakt het gedrag ondergeschikt aan de onverzoenlijke, als het ware geschiedenisloze eisen van de dingen.’ Het fatale ‘afsterven van de ervaring’ noemt hij het. Vandaar is het maar een kleine stap naar de ‘achteloze, lusteloze’ fascistische vernietigingspraktijken.

Het met de deuren slaan als Vorstufe van het fascisme.

In dezelfde categorie hoort zijn heerlijke overpeinzing over de ondergang van het hotelwezen. Met heimwee gedenkt hij de Blauer Stern in Praag of de Österreichischer Hof in Salzburg, verdwenen pleisterplaatsen in een voorgoed verzonken Duitse wereld.

‘Waarschijnlijk dateert het verval van het hotelwezen al van het uiteenvallen van de antieke eenheid van herberg en bordeel, een eenheid die nog nostalgisch voortleeft in elke blik op de tentoongestelde buffetjuffrouw en de verraderlijke gebaren van de kamermeisjes.’ ‘De arbeidsverdeling, het systeem van geautomatiseerde verrichtingen, zorgt ervoor dat niemand zich ook maar iets aan het welbehagen van de klant gelegen laat liggen.’ De kelner kent de menukaart niet meer, niemand bedient zolang niet duidelijk is onder wie de klant ressorteert. ‘Daarbij ontstaan figuren als de hostess, een synthetische waardin. Zoals ze in werkelijkheid nergens voor zorgt, door geen enkele reële maatregel de gescheiden en verkilde verrichtingen samenbrengt, maar zich beperkt tot een nietszeggend welkomstwoord en op zijn best tot toezicht op het personeel, zo ziet ze er ook uit, op een kregelige manier knap, een slanke, rechte, moeizaam jeugdige en verwelkte vrouw.’

Evenmin helemaal recht in zijn eigen leer is essay nr. 105, ‘Een kwartiertje maar’, over de slaap die hij niet kan vatten. ‘Op overeenkomstige wijze zal voor de ter dood veroordeelde de laatste periode verstrijken [...] In het al te luide tikken van de klok horen we de spot van de eonen over de tijdsspanne van ons eigen bestaan.’ Daar ligt hij, klaarwakker in de nacht, in het volle besef dat hij ‘een prooi [is] van de vergetelheid in de kosmische nacht’. In dergelijke subtiele beschrijvingen toont hij zich de gelijke van zijn geestverwanten Walter Benjamin (Einbahnstrasse, Berliner Kindheit) en Ernst Bloch (Spuren).

Zelf vond hij het niet de taak van de intellectueel om divertissement rond te strooien.

‘Er moeten perspectieven worden gecreëerd waarin de wereld een andere plaats inneemt, zichzelf vervreemdt, haar scheuren en barsten openbaart, zoals ze ooit in haar behoeftigheid en vervorming door het messiaanse licht zal worden beschenen. Zonder willekeur en geweld, volkomen vanuit het contact met de dingen zulke perspectieven te verkrijgen – dat waar het in het denken op aankomt.’

Deze passage staat aan het eind van de Minima moralia, in essay nr. 153, dat toepasselijk ‘Tot slot’ heet. Kunst, filosofie, alles wat de geest vermag, moet hoop bieden, zegt hij hier. Maar hoop waarop? Om in alle behoeftigheid beschenen te worden door het messiaanse licht? Bedoelt hij de wereld tonen in heel haar kapitalistische afzichtelijkheid, snakkend naar communistische verlossing? Gatver, nee toch hè? Hier bevangt me dezelfde ergernis als bij sommige christenen, die ineens hun onvermijdelijke sterfelijkheid denken te omspelen door fluks de messiaanse gloeilamp aan te knippen. Ja zeg, zo kan ik het ook. In de sport heet het matchfixing, maar daar loop je tenminste nog gewoon ouderwets tegen de lamp.

In het messiaanse licht zal in elk geval geen slapeloosheid meer voorkomen en hotels zijn dan sowieso passé, want als alles goed komt zijn we overal thuis, dat scheelt.

Maar, corrigeert Adorno mij, zelfs als de verlossing onmogelijk is, bestaat zij nog, al was het alleen maar om haar licht te kunnen werpen. Want ‘kennis beschikt over geen ander licht dan wat de verlossing op de wereld werpt’. Ook al is het onmogelijk. Zelfs dan. ‘Al het overige is reconstructie en blijft een stuk techniek.’

Iets maken kan iedereen. Maar iets onmogelijks maken, daar komt het op aan.