Nul vrienden

Ik ken een lief iemand met nul vrienden. Niet op Facebook of Twitter, maar in het echt. Hij kan elke willekeurige melodie die hij hoort op de piano naspelen, beschikt over een goed gevoel voor humor en heeft een paar geweldige imitaties in huis, al zijn de meeste tantes en ooms die hij nadoet inmiddels al wel jaren dood. Verder is hij ook nog intelligent, slimmer dan zijn collega’s op de zorgboerderij in ieder geval.

Maar toch, nul vrienden.

Hij wil wel graag vrienden, heel graag zelfs, en ik geloof het als hij zegt dat hij er alles aan gedaan heeft, maar uiteindelijk haakt iedereen altijd af.

Te veel verwachtingen.

Te veel wantrouwen.

Te veel spanning vooraf.

Te veel gepieker achteraf.

Zijn vader, dat was een vriend.

Die belde hij soms zeventien keer per dag. Het bellen begon om acht uur ’s morgens. Dat maakte niet uit, er werd geluisterd. Dag en nacht, overal en altijd. Desnoods tien keer naar hetzelfde verhaal. Over dat hij bang is dat de buren last van hem hebben en dat hij daar last van heeft omdat hij zich in zijn woning niet durft te bewegen uit angst om te veel geluid te maken en dat hij sloffen over zijn schoenen doet als hij de post gaat halen, maar dat hij denkt dat ze hem desondanks misschien toch nog horen.

Die vader liet bij zijn overlijden geen gat, maar een krater achter. De ingekochte hulpverlening luistert ook. Maximaal twintig uur per week, dan hou je dus 148 uur over.

Op zijn 41ste verjaardag kwam dit jaar alleen zijn moeder.

Ze had haar best gedaan er iets van te maken en in een linnen tas een cadeau en een appeltaart van de HEMA meegenomen. Zelf had hij ook een taart gekocht.

De zus moest iets met de kinderen en kwam een paar dagen later. De broer vond de treinreis te lang duren en had het te druk. Toen de broer belde om te feliciteren zei hij: „Ik begrijp het wel, je hebt het druk. Iedereen heeft het druk. Als mama dood is, neem ik een hond om tegen te praten.”

Je kunt als huisdier ook ongelooflijk boffen.