Leven met teleurstelling

Nadine Gordimer schuwt de actualiteit nooit in haar romans. Dat is wellicht weinig chic, maar in haar nieuwe boek Een tijd als nooit tevoren weet ze lezers te overtuigen.

Tekening Paul van der Steen

‘Welke historische rol kan een schrijver als zij nog hebben, geboren in een laat-koloniale gemeenschap?’ vroeg J.M. Coetzee zich ooit af in een beschouwing over het werk van de Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnares Nadine Gordimer. Gordimer reageerde geprikkeld op wat zij een onzinnige vraag vond. Haar werk, zo verdedigde ze zich, toont de wereld tijdens en ná de apartheid. Toch snijdt Coetzees opmerking wel enig hout: niet omdat Gordimer zonder de apartheid geen groot schrijfster zou zijn geweest, maar omdat zij vanaf haar debuut in 1953 onophoudelijk bezig is geweest de geest van de tijd literair naar haar hand te zetten. Dat is in haar laatste werken niet anders dan in haar boeken vóór 1990 – en een prominente rol voor de geschiedenis is er ook in haar recentste roman, Een tijd als nooit tevoren.

Het verhaal draait om een gemengd stel, levend onder president Mbeki: post-apartheid, maar dus ook post-Mandela. Het eindigt in 2009 wanneer Jacob Zuma president is en de ex-leider van de ANC-jeugdliga, Julius Malema, de politieke discussies bepaalt. Gordimer wil ons véél vertellen: discussies over politieke gebeurtenissen, een gemengd liefdeskoppel, en ook homo’s, oud-strijders, burgerwachten en xenofoben bevolken de roman. Maar Gordimer geeft een boeiende geschiedenis van Zuid-Afrika sinds Mbeki, waarbij ze bijna als een antropoloog haar land heeft bekeken.

Een auteur die zich nadrukkelijk op de actualiteit richt, dreigt de boodschap te laten prevaleren boven literaire waarden; daar doelde Coetzee vast op. Een roman is geen blauwdruk van de politieke realiteit; die moet erboven staan, en er niet middenin. In haar vorige boeken, Word wakker en De Milieubeheerder, wist Gordimer (1923) die balans niet te vinden. Ze kaartte milieuproblematiek aan, de vrijheid van meningsuiting en bekommerde zich om het lot van aids-weeskinderen. Het was een soort ‘Nadine Gordimer waarschuwt de wereld voor de laatste keer’.

Hoewel ze ook nu dicht op de actualiteit zit, overtuigt Een tijd als nooit tevoren wél. De onderwerpen zijn minder abstract; het boek is in de eerste plaats een familieverhaal, over hoe twee mensen, die elkaar tijdens de ‘Strijd’ hebben ontmoet, hun leven opbouwen in het nieuwe Zuid-Afrika. Dat bevindt zich nog in een ‘adolescente’ fase. De keuzes waar de twee voor staan, zijn al vanaf het begin duidelijk. Steve (joodse moeder, protestantse vader) en de Zulu Jabu verruilen hun flat voor een huurhuis in een buitenwijk van Johannesburg. Ze krijgen niet alleen meer ruimte en een tuin, maar ook stenen muren met glasscherven op de rand. ‘Wonen in een huis in een buitenwijk betekent het afschudden van alle overblijfselen van de oude clandestiene situatie, de ondergrondse strijd en het trotseren van raciale taboes’, vat Gordimer hun situatie samen.

Steve was ooit een man die explosieven legde, maar is nu een universitair docent die zich volop inzet voor de verbetering van het onderwijs. Jabu is lerares af en gaat als advocate aan de slag waardoor ze schandalen, corruptie en een verkrachtende Jacob Zuma van dichtbij meemaakt. Ze krijgen twee kinderen die – door hun politiek correcte raciale mix – het toonbeeld van de nieuwe tijd zijn.

Het ligt er allemaal dik bovenop: halfbloed kinderen, een homostel dat in het theater werkt waar de discriminatie van homo’s wordt verbeeld, Steve die zelf ook regenboogkind van zijn tijd is, omdat zijn moeder Joods is en zijn vader protestant. ‘Ik vertel liever te veel dan te weinig’, zei Gordimer in een interview met deze krant in 2006. En dat is zeker waar. Maar dat neemt niet weg dat ze vele dilemma’s van het nieuwe Zuid-Afrika op een overtuigende manier voorschotelt: waarom zijn de blanken nog steeds de eigenaren van de mijnen, vraagt iemand zich aan het begin af. De vraag wordt herhaald aan het slot, terwijl we dan tien jaar verder zijn. En hoe moeten we bijvoorbeeld de discriminatie van Zimbabweanen, Congolezen en Nigerianen interpreteren? Waar zit dan het verschil met de apartheid, vraagt een van de vrienden zich af tijdens een lunch.

De passages over de xenofobie zijn sowieso sterk: Gordimer ontziet hier niemand. De xenofoben niet, maar ook niet de gelukszoekers en vluchtelingen die de grens overkomen of de academici die vanaf een afstandje meewarig het hoofd schudden. Zowel de buitenlanders als de Zuid-Afrikanen gaan zich te buiten aan geweld, waar zelfs het gezin van Steve en Jabu niet aan ontkomt.

Treffend is ook de innerlijke strijd van Jabu die haar vader bezoekt nadat Zuma naar de rechtszaal moest om zich te verdedigen tegen de aanklacht van verkrachting. Hij had kort daarvoor verklaard dat de vrees voor aids niet nodig was, je kon de ziekte voorkomen door een douche te nemen – en alsof dat niet genoeg was beweerde de president ook nog dat het een kwestie van fatsoen was om een Zulu-meisje dat er aanlokkelijk uitzag, te bevredigen.

Jabu is geschokt door wat ze in de rechtszaal ziet en hoort, maar vooral door de reacties buiten de rechtszaal; de vrouw die Zuma heeft aangeklaagd wordt afgeschilderd als een heks die zo snel mogelijk verbrand moet worden. Ze praat er voorzichtig over met haar vader, groot aanhanger van Zuma. Hij ziet een complot tegen de – dan nog – president in wording, die in kranten wordt afgeschilderd als een idioot met een condoom als badmuts op zijn hoofd. Jabu wil met haar vader in discussie, maar weet niet hoe: haar academische wereld van oud-strijders botst met zijn traditionele waarden.

Maar dat zijn allemaal losse flarden. Wat vooral bijblijft is dat Gordimer toont hoe het is om te leven in een wereld van teleurstelling. Je kan erop reageren zoals Steve doet, die plannen maakt om met zijn gezin naar Australië te verhuizen, zoals J.M. Coetzee deed. Je kan ook Zimbabweanen onderdak geven in je tuinhuis – zonder dat dat natuurlijk de oplossing is – of je kan telkens angstig omkijken, je afvragen waar je kinderen het veiligst zijn, je als advocate geconfronteerd zien met een corrupte samenleving. En dan zit je in een ziekenhuis te wachten, wanneer je man na een gewapende overval op de intensive care ligt. Waar je ook terecht komt: datgene waarvoor je gestreden hebt, heeft weinig opgeleverd. De onvrijheid om te gaan en staan waar je wilt is alleen maar verschoven, niet omgezet in vrijheid en open kansen.

Een tijd als nooit tevoren is, ondanks de afstandelijke stijl, een persoonlijk boek. Gordimer, die zelf een paar jaar geleden het slachtoffer was van een gewapende overval, worstelt zichtbaar met haar eigen teleurstellingen en met de keuzes die tot haar beschikking staan. En het slot – waarin Steve zich verantwoordt – valt te lezen als een verantwoording waarom zijzelf in Zuid-Afrika is gebleven.

Waarom zou je een verhaal vertellen met ironie, vraagt een personage zich af nadat ze een toneelstuk heeft gezien waarin homoseksualiteit met veel zelfspot wordt benaderd. Wie zijn situatie met zelfspot kan bezien is ‘immuun voor wat anderen zeggen, jouw grappen halen de angel uit hun hatelijke opmerkingen, je spot met jezelf en krijgt er een dikke huid van, de afkeer en minachting stuiten er gewoon op af’. Het antwoord schuilt misschien wel in het motto dat Gordimer haar boek meegaf in een citaat van ANC-veteraan Keorapetse Kgositsile: ‘Cynisme zou een roekeloze luxe zijn.’ Cynisme is de doodlopende weg van ironie en zelfspot – misschien is dat het enige antwoord dat Gordimer geeft in een roman die veel prangende vragen stelt.