Lente

Met z’n vieren trokken we eropuit om eens te kijken hoe ver het met de lente gesteld was. Op naar het landgoed Haeghwijck, met zijn oeroude bomen en weelderige begroeiing. En jawel, ondanks de kou van de afgelopen weken bloeide overal het Finse Klokje. In de bermen onder de bladeren kwamen al bleke knoppen van het Tepelkruid tevoorschijn en ook een paar uitlopers van het Welriekend Tafelblad. Her en der stak de Gele Leperik het kopje op. We zagen Ruig Ridderkruis, de zilverkleurige kelken van de Vorkstengel, het tere blauw van het Lieveheersbloemetje. Onder de bomen hele tapijten van Wolvenaarsmos met de minuscule stervormige bloei. Verderop Zoutsteel, Jupiteroor, Blauw Tonggras en Doornig Mastkruid.

En dan de vogels. Hoog boven ons in boomtakken buitelden Groenmeesjes en een enkel Goudkoninkje. We hoorden de krachtige roffel van de Gelaarsde Roodspecht en in de verte klonk de melancholieke roep van de Grauwe Nachtlijster. Op de grond, tussen de struiken, zochten Netelvinken naar voedsel. Het zachte fluiten van de Dwergzanger. Opeens hoorden we een geluid dat ons maar vaag bekend voorkwam. We slopen naderbij met onze verrekijkers. Een vogel op een tak, die we, met zijn zwarte nekband en zijn gestreepte flanken, onmiddellijk herkenden als de zeldzame Steengors, die ons land maar eens in de zoveel jaar aandoet op doortrek. Er is 1 broedgeval bekend uit 1910, bij Kwakkeloo.

We keken onze ogen uit. Onze dag kon niet meer stuk. Op de terugweg spotten we nog een paartje Zilverspreeuwen met duidelijk baltsgedrag. In de lucht passeerden in S-formatie een achttal Jufferzwanen. Toen wisten we het zeker: de lente was begonnen.