Je went nooit aan de geur van lijken

Maite Vermeulen interviewt Peter Bouckaert. Bij een crisis is hij als eerste buitenlander ter plaatse. ‘Het verandert je fundamenteel om zo veel lijden te zien.’

Op zijn agenda voor dit jaar staat Syrië, Syrië, Syrië. Oh ja, en de Centraal Afrikaanse Republiek, Mali, Birma en Bangladesh. Maar wie weet waar morgen de volgende crisis uitbreekt.

Peter Bouckaert (1970) is de Emergencies Director van Human Rights Watch. Dat wil zeggen: wanneer er ergens ter wereld een crisis uitbreekt is hij, of een van zijn vijf teamleden, als een van de eerste buitenlanders ter plaatse. Om te documenteren. Om de feiten te achterhalen. Om mensenrechtenschendingen van alle partijen in het conflict aan het licht te brengen.

„We stappen letterlijk op het eerste vliegtuig. Zo simpel is het”, vertelt Bouckaert in het HRW-kantoor aan de Avenue de Gaulois in Brussel. De van oorsprong Vlaamse Bouckaert heeft een nomadisch werkleven. Waar de noodgevallen zijn, is hij. Huidige thuisbasis is Genève, waar hij met zijn Zuid-Afrikaanse vrouw en drie kleine kinderen de weekenden doorbrengt op een boerderij in een dorpje met 84 inwoners. „Ik sta er bekend als ‘de gekke Belg’.” Bouckaerts gezicht verandert in een gulzige lach. „Ze zijn ervan overtuigd dat ik een spion van de CIA ben. Of dat ik in het Libische leger gevochten heb. Niemand snapt waarom je anders om de haverklap naar oorlogsgebieden gaat.”

Waarom hij dat dan wel doet? Zijn blauwe ogen worden serieus. „Omdat het er toe doet. Mijn werk gaat niet alleen om het documenteren van misdaden, maar ook om het stoppen ervan, om het redden van levens. Ik wil impact hebben op de levens van mensen.”

„Oorlogen worden niet alleen gevochten met kogels, maar met informatie. En desinformatie. Daarom is het voor ons zo belangrijk om zo snel mogelijk te werken. We moeten als het ware door de mist van de oorlog heen prikken en vaststellen wat er écht gebeurt. De Afrikanen die in het nieuws waren als huurmoordenaars van Gaddafi bleken bijvoorbeeld arme gastarbeiders. Er is een verschil tussen een lekkere, sensationele kop en een accuraat verhaal.

„We maken ons het meest druk om slachtoffers die op ons lijken. Toen ik op de Balkan werkte eind jaren 90 haalden álle moorden die we documenteerden het nieuws. Toen ik een maand lang in Congo werkte, interesseerde niemand het. Journalisten vragen mij vaak: ken je daar nog een Amerikaan? Waarom hebben we altijd een Kuifje in Congo-figuur nodig om ons mee te identificeren? Dat is pure luiheid. Het gaat om het leed van de mensen daar.

„Slachtoffers hun verhaal laten doen is deel van het helingsproces. De meeste getuigen willen met ons praten. Mensenrechtenschendingen, vooral als het om seksueel geweld gaat, ontnemen mensen vaak het gevoel dat ze controle hebben over hun leven. Het feit dat ze de keuze krijgen om hun verhaal te doen, geeft ze een deel van die controle terug. Veel te vaak willen mensenrechtenwerkers of journalisten het verhaal zonder hierover na te denken. Ons werk moet gedreven zijn door de wens om meer goed dan kwaad te doen. Niet alleen voor een algemene mensenrechtensituatie, maar ook voor het individu dat recht tegenover ons zit. Ik heb veel verkrachtingsslachtoffers gesproken, en voor hen geldt vaak dat dit gesprek hun enige mogelijkheid is om hun verhaal te doen. Ze bedanken me vaak dat ik heb geluisterd.”

„Je doet wat je kunt. Aan meisjes die ik interviewde in Sierra Leone, van een jaar of 10, 12, bracht ik later nog weleens een cadeautje: een ketting, of een kaartje voor een voetbalwedstrijd. Puur omdat ik het gevoel had dat ik mijn relatie met hen wilde voltooien. Ik wilde die kleine meisjes niet achterlaten na zo’n vreselijke ervaring.

Het is heel vaak moeilijk om interviews af te sluiten. Ik herinner me een man in Libanon, die even brood was gaan halen. Toen hij terugkwam was zijn hele huis weg. Er was een Israëlische bom op gevallen en zijn vrouw en kinderen, waren binnen. Wat zeg je aan het eind van zo’n interview? Het spijt me man? Het voelt niet adequaat. Ik gaf hem uiteindelijk een dikke knuffel. Ik probeer niet te huilen tijdens interviews, maar ja, er zitten zeker wat traanvlekken in mijn aantekeningenboekjes.

„Je went nooit aan de geur van lijken. De eerste keer dat ik een massamoord zag, was in Kosovo. Een familie van ongeveer twintig mensen was uitgemoord in het bos. Allemaal in het hoofd geschoten. Elke keer als ik er ook maar over praatte, kwam de geur direct terug. Dat wordt nooit normaal, die verschrikkelijke lucht. Zo herkenbaar dat ik in Irak eens een massagraf ontdekte met mijn neus.

Maar het is deel van mijn werk om de lijken te bekijken. In detail. Opschrijven wat voor kleren ze aan hebben, wat voor wonden ze hebben, op de kaart tekenen waar het lijk ligt, het lijk omkeren om te kijken of de handen vastgebonden zijn. Het is een hele onprettige ervaring, maar het is een belangrijk deel van ons werk. Want als we het niet doen, is het bewijs weg. Je kunt niet weglopen, ook al wil ik dat soms wel. Als lijken er al een paar dagen liggen ben je de hele tijd aan het kokhalzen. Ik probeer tegenwoordig een masker te dragen.

„Humor is nodig om te overleven in oorlogsgebieden. Duistere humor. Je bent met een groepje in Libië, zonder elektriciteit, zonder stromend water, en je denkt: dit is een raar leven. We hebben veel lol. Maar veel humor is ontworpen om jezelf te isoleren tegen het gevaar. Het risico is dan dat je het gevaar gaat onderschatten, dat je je onoverwinnelijk voelt. De dood van journalisten Tim Hetherington and Chris Hondros in Libië voelde als een emmer koud water in mijn gezicht. Tim was een goede vriend, we deelden een passie, een visie. De waan van onoverwinnelijkheid werd doorgeprikt. Mijn vrouw kan ook een telefoontje krijgen, dat ik er niet meer ben. Dat is eng.

„Terugkomen is moeilijker dan weggaan. Het verandert je fundamenteel om zo veel lijden te zien. Daardoor wordt omgaan met een ‘normaal’ leven moeilijk. Ik moet zorgen dat mijn normale leven een even groot onderdeel van mijn leven is als mijn werk. Dus als ik thuis ben, kook ik elke avond voor mijn gezin, we planten bomen, gaan vissen. Dat soort dingen zijn van levensbelang voor me. Als ik mijn werk mijn enige leven zou laten worden, zou het me verpletteren. Er moet een balans zijn, je moet je batterijen opladen als je dit werk wilt blijven doen. Sinds Tim dood waardeer ik dit leven nog meer. Ik leid het leven dat hij niet heeft kunnen leiden.

„Oorlog is als een kaars, en wij zijn de motten die ernaartoe getrokken worden. Ik zal niet ontkennen dat er ook een element van sensatie zoeken in dit werk zit. Maar als je er alleen voor de sensatie bent, overleef je niet lang. Als je jezelf laat verleiden door de sensatie kom je dichter en dichter bij de vlam, en verbrand je. Ik heb te veel vrienden verloren om nog verleid te worden.

„Er is geen schande in je grenzen erkennen. Ik vind het juist bewonderenswaardig als je je grenzen kent en aangeeft. Ik heb heel wat macho collega’s die doen alsof niets ze iets doet. Ik vind dat onmogelijk te begrijpen. Ik voel die pijn liever, want dat is deel van mens-zijn. Waar mijn grenzen liggen? Ik denk dat ik die nog niet ben tegengekomen... Er zijn wel momenten waarop ik het gevoel heb dat ik er tussenuit moet, en dat doe ik dan. Ik ben er trots op om te zeggen dat ik psychologische hulp heb gezocht. Het is belangrijk om een manier te vinden om met de emoties om te gaan die dit werk teweegbrengt.

„Hoop geven is het belangrijkste wat er is. Je leert mensen kennen in de donkerste momenten van hun leven en geeft ze een beetje hoop voor de toekomst. Alleen het feit dat je er bent en dat je laat zien dat je om hen geeft, maakt een enorm verschil. En dat kan ik niet opgeven. Ik ben bereid de prijs daarvoor te betalen.