Hogerop klimmen en hard vallen

Emmanuel Bove is een vergeten Franse schrijver die aan Nescio of A. Alberts doet denken. In een prachtig vertaalde roman gaat zijn ‘laffe’ protagonist meedogenloos onderuit.

Weinig literaire oeuvres hebben zozeer blootgestaan aan de wisselingen van het lot als het oeuvre van Emmanuel Bove (1898-1945). Na zijn debuut Mes amis (1922) kende Bove een periode van grote productiviteit en navenante roem. Tot het begin van de Tweede Wereldoorlog publiceerde hij de ene roman na de andere. Daarna verdween hij langzaam maar zeker uit het zicht, om na zijn dood in 1945 bijna helemaal te worden vergeten – behalve door een kleine groep van hardnekkige liefhebbers.

Pas in de jaren zeventig werden zijn boeken weer uitgegeven, en in de jaren tachtig kwamen er diverse Nederlandse vertalingen. Toen werd het opnieuw stil, totdat in 2002 nog een verhalenbundel (Reis door een appartement) verscheen. En nu uitgeverij Coppens & Frenks dezer dagen met een vertaling komt van L’amour de Pierre Neuhart (1928), is het alsof – in elk geval in ons land – alles weer van voor af aan moet beginnen. Weet iemand nog wie Emmanuel Bove was?

In het informatieve nawoord kan men alle biografische gegevens vinden, grotendeels ontleend aan de biografie van Raymond Cousse en Jean-Luc Bitton uit 1994. De Russisch-joodse vader (die eigenlijk Bobovnikoff heette), de Luxemburgse moeder, de chronische armoede, de vele verhuizingen als gevolg daarvan en de onoverzichtelijke amoureuze betrekkingen van papa, die Boves jeugdjaren van elke stabiliteit hebben beroofd – wie dat wil kan in deze rommelige achtergrond een aankondiging zien van het lot dat de auteur en zijn oeuvre boven het hoofd hing. Maar het persoonlijke leven werkt ook door in de romans, dus misschien ligt het nog meer aan de aard van zijn schrijven dat Bove enkele keren is vergeten en herontdekt.

Bove is een schrijver die zelden zijn stem verheft, in Nederland te vergelijken met Nescio of A. Alberts, in Frankrijk met Patrick Modiano. Zijn stijl blijft altijd gedempt, zijn verhalen hebben niets spectaculairs. Bove schrijft over mensen die in een gezelschap niet meteen opvallen; pas als je op ze gaat letten, krijgen ze iets bijzonders. Zijn helden of liever antihelden lijken steeds te zeggen: let niet op mij, ik ben niet belangrijk. Maar trek je je daar niets van aan, dan storten ze hun hart bij je uit.

Voor zover deze personages afsplitsingen zijn van de auteur zelf, kunnen we zeggen dat Bove (die bekend stond om zijn bedeesdheid) in de literatuur het middel heeft gevonden om zich alsnog uit te spreken. Met een opmerkelijke urgentie bovendien, want het kan niet alleen uit geldnood zijn geweest dat hij zo véél heeft geschreven.

De liefde van Pierre Neuhart is een voor Bove alleszins representatieve roman, die van vertaalster Mirjam de Veth een prachtig Nederlands equivalent heeft gekregen. Het verhaal heeft wederom niets spectaculairs, een liefdesgeschiedenis met een treurig einde. Er vloeit geen druppel bloed, zelfs heftige passionele scènes ontbreken – op één uitzondering na, wanneer Pierre Neuhart de ontrouw van zijn geliefde heeft ontdekt en beiden nog een ijzige nacht vol tranen, zelfhaat, walging en verbijstering samen doorbrengen.

Secretaresse

Pierre is een grindhandelaar van achter in de dertig wanneer zijn roman begint. Een weinig krachtdadig man, zo wordt al meteen duidelijk uit de confrontatie met zijn secretaresse, die geen enkel respect voor hem blijkt te hebben. Een man zonder eigenschappen, maar dromen en verlangens heeft hij wel. Vóór de Eerste Wereldoorlog koesterde hij vage politieke ambities, terwijl hij zijn leven vergooide te midden van ‘leeghoofden en klaplopers’, voor wie hij met zijn vaders geld optrad als een soort ‘mecenas’. Tijdens de oorlog (waaraan Bove slechts één alinea besteedt) bracht hij het tot luitenant – voldoende om nadien zijn leven te willen veranderen, met de handel in grind als resultaat.

Bevredigen doet het hem niet, hij wil hogerop, dromend van ‘aanzien, goede manieren, ontvangsten’. Het liefst zou hij een ‘graag geziene gast’ worden in een Parijse salon. Daar hoef je niets voor te kunnen, hoogstens moet je bereid zijn jezelf iets mooier voor te stellen dan je bent. In dit soort kleine ondeugden zit bij Bove vaak het venijn. Pierres zondeval komt erop neer dat hij zich in de middelmatige salon van mevrouw Aspi door de gastvrouw laat voorstellen als ‘grootindustrieel’. Zo bezegelt hij zijn lot.

Bij mevrouw Aspi maakt Pierre kennis met de zeventienjarige Éliane, die ervan droomt een ‘beroemd actrice’ te worden; in de ‘grootindustrieel’ meent zij een interessante connectie te hebben gevonden. Pierre, op zijn beurt, wordt hopeloos verliefd op het meisje, in wier schoonheid hij zijn ‘hogere’ ambities belichaamd waant. Als ze bij hem intrekt, begint een kortstondige relatie die van meet af aan berust op bedrog, zelfbedrog en misverstand.

Pierre ontwikkelt zich tot Elianes ‘slaaf’, zij maakt schaamteloos misbruik van zijn onvermogen om nee te zeggen en zal hem daar steeds meer om verachten. Tenslotte dwingt zij hem regelmatig om de avonden elders door te brengen – tot hij ontdekt dat Éliane zijn afwezigheid gebruikt om hem met een ander te bedriegen. Hij stuurt haar weg, zij noemt hem een ‘lafbek’.

Vijf jaar later komen ze elkaar nog een keer tegen en dan is het verschil helemaal duidelijk: voor Éliane was het avontuur nooit meer dan een episode (’Wat was ik toen onnozel, hè?’), voor Pierre, die inmiddels volkomen aan de grond zit, was het alles. Zijn liefde voor haar is het enige dat hem boven zichzelf doet uitstijgen, dat hem tot ‘iemand’ maakt, helaas voor hem alleen in eigen ogen.

Anders dan Éliane is Pierre een tragisch man, zoals de meeste van Boves hoofdpersonen. Aandoenlijk is hij ook, maar ‘niet per se sympathiek’, zoals de vertaalster terecht opmerkt in haar nawoord. Vandaar dat het verhaal, ondanks de ogenschijnlijk larmoyante strekking, geen moment sentimenteel wordt. Bove is een analyticus, die de verlangens, de illusoire bevrediging en onafwendbare ondergang van zijn protagonist tamelijk meedogenloos beschrijft. Zij het wel, in de woorden van bewonderaar Samuel Beckett, met ‘gevoel voor het roerende detail’.

Domme fout

We lezen over het solitaire appartement van Pierre, waar hij met knusse meubels, lampen en een grammofoon probeert stemming te creëren: ‘Je voelde dat hij wel degelijk besefte dat de gezelligheid zou ophouden als hij er niets meer voor zou doen’. Wanneer Pierre tegenover Éliane een domme fout maakt, staat er: ‘Éliane merkte niets, zo druk had ze het met het verbergen van haar jeugd’. Hun relatie vat Bove bondig samen in deze constatering van Pierre over Éliane: ‘Zij had altijd gelijk, zelfs wanneer ze hem verweet te gedienstig te zijn’. En dan deze terloopse mededeling over de jonge Pierre: ‘Hij stond ’s middags om vier uur op, probeerde nu en dan verslaafd te raken aan cocaïne, maar dat lukte hem niet’.

Wat moet er terechtkomen van iemand die het niet eens lukt om aan cocaïne verslaafd te raken? De machteloosheid van Boves personages zorgt in zijn romans voor een verlammende atmosfeer. Daardoor kan het gemakkelijk gebeuren dat de stilistische subtiliteit van de tekst over het hoofd wordt gezien. Met alle gevolgen van dien. De algehele malaise wint ’t van het literaire vernuft, dat haar in alle eenvoud heeft opgeroepen. Zodra een aandachtige lezer juist dát in de gaten krijgt, kan Emmanuel Bove weer als een feniks uit zijn as verrijzen.