Het Westen moet zijn macht delen

Kishore Mahbubani gaf het Westen er al vaker van langs: het voelt zich nog te superieur. Maar in zijn nieuwe boek gaat hij verder: het Westen moet niet zozeer haar machtspositie opgeven, maar meer samenwerken met de rest van de wereld.

Optimisme is nectar voor getergde wereldburgers, vooral die van Europa en de Verenigde Staten. Ondanks onze welvaart hebben we het gevoel dat alles minder wordt. Kishore Mahbubani doet in zijn nieuwe boek Naar één wereld een serieuze poging te laten zien dat er aanleiding is voor hoop.

De oud-ambassadeur van Singapore en decaan van de Lee Kuan Yew School of Public Policy werd geprikkeld dit boek te schrijven door wat Martin Wolf – columnist van The Financial Times – schreef over ‘het Westen’ en de rest: ‘We zien een omkering van wat er in de 19de en begin 20ste eeuw gebeurde, toen de inkomensverschillen juist steeds groter werden. In dat tijdperk wisten de volkeren van West-Europa en hun meest succesvolle voormalige koloniën een grote economische voorsprong te behalen op de rest van de mensheid. Nog sneller dan ze destijds die voorsprong verkregen, verliezen ze die nu. Dat is een onvermijdelijke en wenselijke ontwikkeling.’

We worden minder bijzonder, dat is niet erg – zolang het Westen maar niet op de rem probeert te staan of gaat zitten mokken, zegt Mahbubani. ‘Het Westen zal zijn macht niet verliezen, maar het zal wel macht moeten delen. De 88 procent van de wereldbevolking die geen deel uitmaakt van de westerse wereld wil graag samenwerken met de 12 procent die leeft in het Westen.’

Dat kan Mahbubani natuurlijk makkelijk schrijven op zijn comfortabele zetel in het nauwelijks democratische, maar overigens hoogontwikkelde Singapore. Daarmee hoeft het nog niet onwaar te zijn. Veel van zijn waarnemingen zijn zelfs aannemelijk. De afgelopen weken werd Mahbubani hier en daar verweten dat hij soms wat slordig is met feitjes, maar de grote lijn is overtuigend. Op één puntje na. Daarover straks.

Zijn nieuwe boek, dat in het Engels The Great Convergence: Asia, the West and the Logic of One World heet, volgt op eerdere provocerende boeken, waaronder Can Asians Think? en The New Asian Hemisphere, die het Westen op de hoogte stelden van het bestaan van een succesvol Azië. Het Westen is onverbiddelijk op z’n retour. Mahbubani maakte furore in het internationale lezingencircuit en werd onder invloedrijke westerse politici en zakenlieden een geaccepteerd brenger van pijnlijk nieuws. Bedankt dat u het aardig uitlegt.

Voor het vreedzaam samenkomen der volkeren zijn goede argumenten. Er is nog nooit zo weinig oorlog geweest. De diepste armoede neemt af, de gezondheid van miljoenen wordt beter. In grote delen van de wereld is een nieuwe middenklasse in opkomst. De wereld heeft ongekende aantallen universitair geschoolden voortgebracht. ‘De opkomst van al dit nieuwe talent is een van de belangrijkste krachten die tot ‘één wereld’ zullen leiden.’

Mobiele telefoontjes

Honderdduizenden in de Verenigde Staten opgeleide Aziaten zullen in hun eigen land ook streven naar een variant van de Amerikaanse droom, in welvaart en vrede. Niet alleen de belangen, ook de waarden en de cultuur van die wereldwijde middenklasse gaan steeds meer overeenkomsten vertonen. Dat betekent veel meer dan verkleving aan dezelfde mobiele telefoontjes – waarvan er heel veel meer in China, India en Afrika in omloop zijn dan in Amerika of Europa. In die wereldwijde beschaving wordt het ieders belang samen te werken, voorspelt Mahbubani.

Zoals in zijn vorige boeken schetst hij de weerstanden in het Westen dat twee eeuwen de baas was en daar de vruchten van plukt. Christine Lagarde kon alleen maar baas van het IMF worden dankzij ‘gemanipuleerde verkiezingen’: het Westen heeft nog steeds 50 procent van de stemmen. ‘De onwil van de westerse landen om hun dominante positie binnen mondiale instellingen op te geven laat zich slechts vergelijken met die van regerende vorsten of dictators om hun absolute macht op te geven.’

Deze onwil om dominante posities op te geven geldt ook binnen de Wereldbank, de Veiligheidsraad en de G20, constateert Mahbubani. De EU is in vrijwel elke internationale instelling oververtegenwoordigd. Van de 106 leden van het Internationaal Olympisch Comité zijn er 47 Europeaan. Onherroepelijk verlies aan politieke legitimiteit is zijns inziens het lot van heersers die te lang blijven plakken.

Multilateralisme heeft de toekomst. Mahbubani noemt als voorbeeld het samenwerkingsverband van Zuidoost-Aziatische landen Asean dat de ‘roltrap van de rede’ heeft genomen. Met als onwaarschijnlijk succes het openbloeien van Myanmar (Birma) dankzij positieve betrokkenheid van de Asean-landen.

Door even afkeurenswaardige landen als Iran, Cuba en Noord-Korea te isoleren houdt het Westen die regimes af van de opkomende gemeenschappelijke normen, is zijn kritiek. Laat jongeren uit die landen in het buitenland studeren, bevorder handel en veranderingen zullen sneller volgen dan nu in isolement.

Over globalisering is veel geschreven, constateert Mahbubani, maar er is nog geen allesomvattende theorie die verklaart waarom de wereld zo fundamenteel is veranderd. Hij beschrijft wel een aantal pijlers die illustreren dat er één wereld is, of we het nu willen of niet. Dat zijn: milieu, economie, technologie en gemeenschappelijke aspiraties.

Op al deze terreinen bestaat een onlosmakelijke verwevenheid, die in beleid zelden wordt erkend. Politici moeten vooral hun nationale achterban bedienen. Economen erkennen wel het functioneren van wereldwijde markten, maar niet het bestaan van een wereldeconomie.

Des te opmerkelijker, aldus Mahbubani, dat ondanks de aanhoudende economische crisis zo weinig is teruggegrepen op protectionisme. Hij heeft daar geen harde verklaring voor, en vermoedt dat ‘iedere intelligente beleidsmaker’ weet dat afschermen economisch schadelijk is. Intussen blijven nationale leiders doen alsof zij nationaal beleid kunnen maken. ‘De wereld is veranderd, maar de manier waarop wij de wereld beheren niet.’ Moeilijk te ontkennen.

Mahbubani hoopt dat een overtuigende theorie van één wereld nationale leiders de schellen van de ogen zal doen vallen. Maar hij is niet zo naïef te denken dat het vanzelf wel goed komt. Hij wijdt fascinerende hoofdstukken aan wereldwijd irrationeel gedrag en ‘zeven mondiale tegenstellingen’. Daarbij krijgen de Verenigde Staten er flink van langs: zij erkennen bijvoorbeeld de beginselen van de rechtsstaat sinds 9/11 niet meer voluit in het buitenland. Hij is in dat opzicht onevenredig kort over Rusland en China. Die doen er in eigen land al niet aan.

Verenigde Naties

Na een serie gedocumenteerde voorbeelden van de moeizame omgang tussen China en vooral de Verenigde Staten, schuift Mahbubani de Verenigde Naties naar voren als onvermijdelijke vormen van wereldregering. Tegen alle scepsis en overig nationalisme in. De VN is meestal disfunctioneel maar moet een nuttiger rol kunnen vervullen als in de Veiligheidsraad de wereldbevolking evenrediger wordt vertegenwoordigd, met 21 leden in plaats van de huidige vijf permanente en tien tijdelijke. Het plan-Mahbubani ligt klaar.

En daar schuilt onontkoombaar de zwakte van Mahbubani’s boek. De hoofdstelling wordt niet aannemelijk gemaakt. Er is zoveel ervaringsbewijs en dagelijkse (wan)praktijk die tegen het convergentiegeloof pleiten, en hij is serieus genoeg om die zeer leesbaar te inventariseren, dat daarmee de geloofwaardigheid van één wereld wegvalt. Tenzij we die conclusie niet kúnnen aanvaarden. Dáár hoopt hij op.

Kishore Mahbubani is een optimist uit noodzaak. Hij draagt onvermoeibaar argumenten aan waarom de ontwikkelingen richting samenwerking zullen gaan. Hoogste tijd, zegt hij. We bevaren met 7 miljard mensen de wereldzee, niet zoals vroeger op honderden boten en bootjes, maar in 193 hutten van één en hetzelfde schip. Probleempje: iedere hut heeft een kapitein, maar voor het schip is er geen bemanning en geen gezagvoerder. Het is te laat om allemaal weer in de sloepen te gaan.