Hecht je niet en wortel niet

Op 22 maart overleed Aya Zikken, 93 jaar oud. Kort daarvoor verscheen het ‘zelfportret’, over een rusteloze, gedreven vrouw op zoek naar de verloren magie van het Indisch paradijs.

Aya Zikken in de rivier Tjisaroea bij Bandoeng (West-Java), 1936 Uit besproken boek

Een jong Hollands meisje, woonachtig in het Gelderse Epe, hoort voor het eerst over Java. Het is 1925. Ze heet Aya Zikken en is zes jaar. Haar vader is hoofdonderwijzer. Dat Java moest ‘gruwelijk’ zijn met ‘sissende gifslangen over het bospad.’ Daar zou ze met haar ouders gaan wonen in ‘een houten huis op palen waar een tijger op de stoep lag en wolken muskieten voor de ramen hingen in plaats van de vertrouwde vitrage in Holland.’

Eenmaal in Indië komt het gezin Zikken in Bandoeng terecht. Daar vindt de jonge Aya geluk en vrijheid. Ze hecht zich aan vriendinnen, de inlandse bedienden en vooral ook de huisdieren die onlosmakelijk met een jeugd in Indië zijn verbonden. Lang duurt dat geluksgevoel niet. Kort daarop krijgt haar vader een aanstelling in Soerabaja, later volgt de overplaatsing naar de zuidpunt van Sumatra. Opnieuw raakt het meisje in paniek. Wat moet ze daar in de jungle? Vader Johannes Zikken probeert zijn dochter gerust te stellen: ‘Ergens wortelen is verkeerd. Het is nodig de moed op te brengen om steeds een nieuw leven te beginnen.’ En: ‘Alles is voor even.’ De 9-jarige Aya Zikken beseft dat in dit land ‘iets is dat achtergelaten kon worden en ook niets dat je mee kon nemen.’ Zelden zullen sussende, vaderlijke woorden zoveel invloed hebben gehad Ze bepaalden haar leven, en vooral haar latere literaire werk met hoogtepunten als De atlasvlinder (1958), Terug naar de Atlasvlinder. Een reis door Sumatra (1981), De Tanimbar-legende (1992) en Indische jaren. Het verhaal van Tjisaroea (2001).

Dertig titels

Op de grondslag dat ze zich nooit mocht hechten en nergens kon wortelen, bouwde Zikken een omvangrijk oeuvre van ruim dertig titels. Verhuizen, loslaten, zich niet aan mensen of plekken binden, afscheid nemen en herbeginnen vormen de leidraad van haar leven. Maar dat is niet alles. Om tegenwicht te bieden aan al dat vliedende en vluchtige begint ze al vroeg te schrijven in een klein notitieboekje. Als dertienjarige scholiere in Batavia richt ze samen met de latere schrijfster Margaretha Ferguson een schrijfclubje op dat ze De Journalistieke Toekomst noemen. Ook maakt ze deel uit van het Elcee, een literaire club op het gymnasium waartoe ook Hella Haasse behoort.

De gedwongen onrust van haar jeugdjaren zet Aya Zikken in haar volwassen leven om in een vrijwillig en vooral gepassioneerd reizen. Ze ontwikkelt zich tot een vooraanstaand reisschrijfster voor wie het reisverhaal de diepgang en reikwijdte heeft van een roman. In het merendeel van haar reisromans keert ze terug naar het Nederlands-Indië van vroeger.

In de biografie Alles is voor even. Het bewogen schrijversleven van Aya Zikken geeft Kees Ruys een gedetailleerde weergave van Aya Zikkens literaire werk en de veelal autobiografische bronnen waaruit het is ontstaan. Zikken, geboren op 21 september 1919, is vorige week vrijdag 22 maart, op 93-jarige leeftijd, overleden. Vlak ervoor heeft ze de biografie in haar woonplaats Norg (Drenthe) in ontvangst mogen nemen uit handen van Ruys.

In zijn levensbeschrijving volgt Ruys een werkwijze die betrekkelijk uniek is voor een schrijversbiografie. In de inleiding legt hij uit waarom. Uit bewondering voor het reisboek Terug naar de Atlasvlinder schreef hij haar een brief. Daaruit vloeide vriendschap voort, en het idee een biografie aan Zikken te wijden. Maar de schrijfster stelde verregaande eisen: de biograaf mocht geen levende bronnen raadplegen, dus geen mensen spreken die haar hebben gekend. Hij diende zich te beperken tot haar eigen geschriften, de geschreven reacties in kranten en weekbladen en, tot slot, haar eigen toelichting. Wel kreeg Ruys inzage in haar literaire archief.

Goocheltruc

Ruys is zich terdege bewust van zijn hachelijke situatie als biograaf. Hij stelt: ‘Het was een aanpak ‘‘als een goocheltruc, waarmee ik haar zowel zichtbaar als onzichtbaar zou maken”.’ Aanvankelijk leek het hem een onmogelijke opgave totdat hij een vluchtweg zag. Zijn biografie werd geen reconstructie van Zikkens leven, maar eerder een door hem geschreven ‘zelfportret’, waarin niet altijd duidelijk zou zijn ‘waar feit in fictie overging, of andersom.’

Feitelijk valt zijn biografie in drie delen uiteen: elke levensfase begint met zakelijke mededelingen, dat wat hij ‘de naakte feiten noemt.’ Vervolgens voegt hij daaraan de passages uit haar literaire werk toe, aangevuld met dagboekfragmenten. Tot slot laat hij de schrijfster uitvoerig aan het woord over de betreffende periode. Hiermee trekt Zikken haar levensverhaal geheel naar zichzelf toe en benadrukt dat haar geschriften tot fictie behoren.

Dat is maar de vraag voor een schrijver die in bijna al haar boeken terugkeert naar haar eigen verleden. Haar stem is de enige levende stem die in het boek klinkt. Als lezer verlangde ik hevig naar een tegenstem, zeker in de moeizame jaren van Zikken na de echtscheiding van haar man Frans Postema, haar worsteling om als schrijfster te overleven en haar problemen met uitgevers. In de jaren zeventig ging ze door een diep dal, financieel én artistiek.

Ook mis ik de duiding van haar oeuvre in verhouding tot belangrijke schrijvers uit de Nederlands-Indië; Louis Couperus, Rob Nieuwenhuys, F. Springer, Maria Dermoût, Helga Ruebsamen en anderen. Aya Zikken is niet gelukkig met de stroom ‘heimweeboeken’ over die tijd, hoewel ze daar zelf ook deel van uitmaakt, tegen wil en dank. Zo’n gegeven moet een biograaf uitwerken en interpreteren.

Zikken dreigde in de vergetelheid te raken, tot ze begin jaren tachtig een gouden greep deed door naar Indonesië te reizen en de plekken van toen op te zoeken, met de indringende vraag: ‘Terug naar toen, maar wat doe je als je er bent?’ Deze reizen gaven haar schrijverschap een grootse impuls en zorgden voor een reeks prachtige reisromans, waaronder Landing op Kalabahi (1996) en Odjongs eiland (2004). Aldoor is Zikken op zoek, rusteloos, naar de verloren magie van het Indische paradijs.

Al is Ruys’ onderneming niet zonder gevaren door het ontbreken van de noodzakelijke distantie, Alles is voor even is een boeiende biografie, soms zelfs meeslepend in de passages waarin Aya Zikken vecht voor erkenning en vecht voor haar schrijverschap. Zelf formuleert ze tegen Ruys onvergetelijk mooi over wat Indië met haar heeft gedaan: ‘Indië heeft een afstandelijk mens van me gemaakt die niet meer in een blijvende relatie met een ander mens gelooft. Als niets kan wortelen, is alles tijdelijk.’

Kees Ruys: De Indische jaren van Aya Zikken. In: De Parelduiker, 1/2013. Bas Lubberhuizen. € 12,50