Een voortreffelijke flop

Regisseur Olivier Assayas keert met Après Mai terug naar zijn jeugd in de jaren 70 De film is geslaagd, maar onsuccesvol „Onze idealen waren foeilelijk”

‘Ik ben absoluut niet nostalgisch over de jaren 70, die voor mij heel miserabel waren. Ik was onzeker, ongelukkig en popelde om volwassen te worden. Als filmmaker kreeg ik een identiteit en verwierp ik de verwarde jongen die ik was. Nu ben ik nieuwsgierig naar hem, vandaar misschien dat ik steeds terugkeer naar de jaren 70. Je tienerjaren blijven altijd bij je.”

Na een epische miniserie over de beruchte terrorist Carlos bleef de Franse regisseur Olivier Assayas (58) nog even hangen in de jaren 70 met het intieme, autobiografisch gekleurde Après Mai, dat in de herfst in competitie was in Venetië.

Net als in 1993, in L’eau froid, keert hij terug naar zijn eigen jeugd. „Ik heb het gevoel dat in die film iets miste, vooral de mentale omgeving waar we ons indertijd in bewogen. Er waren twee magneten. Ten eerste de tegencultuur van undergroundkunst, drugs, vrije seks, vrije pers. Ten tweede dogmatisch links, dat een hekel had aan kunst, seks en drugs, en zeker aan de vrije pers. Ik had het gevoel dat er aan twee kanten aan mij werd getrokken, terwijl ik mezelf probeerde te definiëren.”

Hoe revolutionair was u?

„Op de middelbare school was ik heel militant, als student veel minder. Begin jaren 70 kende een specifiek soort waanzin: de mensen geloofden werkelijk dat volgende week, of over een half jaar, de revolutie zou uitbreken. Bourgeois politiek, bourgeois manieren, bourgeois media: niets deugde, weg ermee. Iedereen discussieerde erover hoe de revolutie ditmaal kon slagen en wat bij eerdere revoluties fout liep. Studenten waren zeer belezen in sociale geschiedenis, de linkse beweging en revoluties, echte experts. Nu weet niemand daar meer iets van. Ik heb in Après Mai hele dialogen moeten schrappen omdat mijn jonge acteurs werkelijk geen idee hadden waarover ze praatten.”

De huidige jeugd bestaat uit optimistische conformisten?

„Nee, ze geloven niet meer in politiek. Waarom zouden ze? Ze zien de hele dag politici zeggen dat ze graag iets willen, maar dat ze geen controle hebben en dat alles heel ingewikkeld ligt. Waarom zou je vertrouwen op politiek als die geen invloed heeft? Men zoekt andere wegen.”

U was 15 jaar in 1970. Voelde u dat u de studentenopstand van mei ‘68 had gemist?

„Dat gevoel bekroop ons heel geleidelijk, we dachten dat de grote ommekeer nog zou komen en mei ’68 een incident was. Daarna verloren we niet onze revolutionaire idealen, laat staan dat we ze verrieden. Het was meer zo dat die crashten op links dogmatisme, terrorisme en groeiende kennis over de goelag en Mao. Links stond onder leiding van eikels wier politiek leidde tot genocide. Zeker in Frankrijk, waar 20 procent in de jaren 70 op een stalinistische partij stemde en eerbiedwaardige intellectuelen niets wilden horen over de goelag, maar wel lofprijzingen op Mao schreven, ontdekten we dat onze idealen eigenlijk foeilelijk waren.”