Een auto die haar op wil eten

In een paar pagina’s varieert Wouter Godijn tussen méér registers dan andere schrijvers in hun hele leven. Zijn nieuwe roman is een virtuoze tocht door een springerig brein.

Er zijn prijzen voor oeuvres, prijzen voor zinnen en prijzen voor losse romans in alle denkbare stadia van een literaire carrière. Maar waarom is er eigenlijk geen prijs voor scènes? Wouter Godijn vult in zijn nieuwe roman Hoe ik een beroemde Nederlander werd ruim drieëneenhalve bladzijde met een scène waarvan de verteller opmerkt (vertellers in boeken van Wouter Godijn geven vaak commentaar op het verhaal, en doen dat graag tussen haakjes) dat deze scène er één is die ‘nooit helemaal is geëindigd, alsof hij altijd […] op de achtergrond van Wilfrieds bestaan aanwezig is gebleven’.

Wilfried (later verandert hij van identiteit, maar dat doet nu niet ter zake) is elf en rent over straat. Aan de overkant ontwaart hij zijn moeder. ‘Ze is in gevecht met een oud zonnescherm dat ooit oranje is geweest, maar na jarenlang gebruik een kleur heeft aangenomen die aarzelt tussen beige en een krachteloos soort geel. Het is niet duidelijk of het zonnescherm het schuurtje ín moet, of dat ze het net te voorschijn heeft gehaald en van plan is het naar de achtertuin te slepen.’ Moeder en zoon zien elkaar en wisselen ‘een verbazingwekkend intense blik van verstandhouding uit’.

Het is een mooi portret van een moeder die het kennelijk moeilijk heeft, misschien ook met wel meer dan dat zonnescherm. Maar de blik van de verteller concentreert zich nu op Wilfried. Die struikelt. (‘Vallen is voor een elfjarige jongen de gewoonste zaak van de wereld’).

Hij kijkt gebiologeerd naar het bloed op zijn knie, is zich bewust van de bezorgdheid van zijn moeder. ‘Vroeger zou hij onmiddellijk zijn uitgebarsten in een wellustig gehuil.’ Waarna Godijn beschrijft hoe Wilfried zich de moedertroost voorstelt, met zijn gezicht tegen haar borsten gedrukt.

Die verbeelding wordt onderbroken door de werkelijkheid, want de bezorgde moeder is natuurlijk onderweg naar haar gevallen kind. Dan schakelt Godijn naar wat Wilfried (hij heeft in het eerste hoofdstuk al op snoek gevist) voor zijn ogen ziet gebeuren. Daarbij gebruikt hij een heel ander, bijna absurdistisch register. Want er komt een auto aan. Die springt op zijn moeder af ‘schiet op haar af, zou je ook kunnen zeggen, alsof hij haar op wil eten.’ Plotseling schijnbaar ontdaan van elk gevoel observeert Wilfried, alsof hij een peuter is die te jong is om te vatten wat hij ziet: ‘Ze openbaart onverwachte atletische vermogens. Ze belandt ruggelings op de motorkap. Razendsnel, hoe doet ze dat?, klimt ze op het dak. Dan springt ze eraf en komt met een smak op de straat terecht.’

We zijn onderaan de derde pagina. Wilfried staat op en loopt op zijn moeder af. Godijn heeft het niet-begrijpende kinderperspectief alweer verlaten. ‘Hij bedenkt dat hij geen moeder meer heeft – nou ja, een dooie moeder.’

Er volgt nog dialoog met de bestuurder, in een volgende stijlfiguur: ‘Jesus Christus nog an toe vloog zomaar opeens de weg op kon nie meer op tijd remme jonge is dah je moeder?’

Wouter Godijn heeft zo veel taalgevoel dat je er bang van wordt. In een paar pagina’s varieert hij tussen méér registers dan andere schrijvers in hun hele leven. En belangrijker: het werkt. Hij vangt alle elementen van het ongeluk: van het absurdisme tot het schuldgevoel – en het sentiment ertussen.

Pagina 27-30 van Hoe ik een beroemde Nederlander werd zijn dus al ruim voldoende voor de rechtvaardiging van een bestaan; maar de rest van het boek is een even sterke als springerige proeve van het kunnen van Godijn. Net als in De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt en Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (een aparte prijs voor boektitels zou een zekere prooi voor Godijn zijn) leidt hij zijn lezers op uiterst grillige wijze door zijn verhaal – door zijn brein eigenlijk.

In die twee romans ging het vooral om dood en vergankelijkheid, een thema dat leek te worden aangejaagd door de ziekte MS, waar Godijn aan lijdt. In Hoe ik een beroemde Nederlander werd gaat het vooral om seksualiteit en de afwezige moeder. Verder zijn er de ridderfantasieën van de jonge Wilfried, een mysterieuze berg, een gevangen prinses, artsen in Afrika, een tovenaar, een fascistoïde politicus, literaire thrillers en een schrijver. Die heeft een hopeloos huwelijk en een minnares op wie hij heimelijk vooral valt wegens haar domheid. En omdat zij hem dagelijks zonder dralen laat plaatsnemen in wat ‘de pijpstoel’ gaat heten. (Als je er eenmaal op let, blijkt het mannelijk geslachtsorgaan toch al een bijzonder prominente rol in deze roman te spelen.)

In al zijn virtuositeit heeft Hoe ik een beroemde Nederlander werd niet de beklemming van Godijns eerdere romans, maar kans om je te vervelen geeft hij je nooit. En het eind mag er wezen, wanneer de volwassen Wilfried een snoek aan de haak heeft geslagen. Het hapgrage dier staat in de hele roman voor de moeder. Maar óók voor de auto die haar aanreed. Vandaar dat aan de vis het laatste woorden worden gewijd: ‘Ze kwam nu recht op hem af.’