Deze opvliegende Jezus hoort stemmen

Naomi Alderman: Het boek van leugenaars. Vert. Elinor Fuchs Meulenhoff, 318 blz. € 19,95 ***

‘Zo is het gegaan’ luidt de eerste regel, maar de roman heet Het boek van leugenaars, dus die mededeling moet met de nodige voorzichtigheid worden ontvangen. De hoofdrolspelers dragen namen als Jehosjoea, Mirjam, Jehoeda van Keriot en Bar Avo. Onbekende namen op het eerste gezicht, maar we kennen ze beter als Jezus, Maria, Judas en Bar Abbas.

De Britse schrijfster Naomi Alderman (1974) sleepte met haar debuut Ongehoorzaamheid diverse prijzen in de wacht. In Het boek van leugenaars, (The Liar’s Gospel) haar derde roman, vertelt ze het overbekende verhaal van het leven en sterven van Jehosjoea/Jezus.

Varianten op overbekende verhalen blijven altijd iets parasitairs houden. Ook Alderman slaagt er niet helemaal in te ontsnappen aan de zwaartekracht van het oorspronkelijke verhaal. Je leest voortdurend op twee niveaus tegelijk: je volgt het verhaal en registreert op welke manier de oorspronkelijke gegevens zijn verwerkt.

Dat Alderman je toch regelmatig weet mee te slepen, pleit voor haar boek. Ze houdt haar versie zo aards mogelijk. Haar Jehosjoea is een opvliegende jongen die stemmen hoort. Of hij echt wonderen verricht, is nog maar de vraag en dat zijn graf een paar dagen na zijn begrafenis leeg wordt aangetroffen, betekent waarschijnlijk alleen dat zijn lijk door volgelingen is ontvreemd.

Om het aardse karakter van haar verhaal te onderstrepen, besteedt Alderman veel aandacht aan de dagelijkse gewoonten en gebruiken, en benadrukt ze dat alles zich afspeelt tegen de achtergrond van fanatiek verzet tegen de Romeinse bezetters. Seks en geweld gaat ze niet uit de weg, wat soms leidt tot clichématige of kitscherige beschrijvingen. ‘Vurige monden’ vinden elkaar ‘gewillig’, mannen wiens buiken worden opengesneden ‘schreeuwen terwijl hun ingewanden er glinsterend uitglibberen’. Jammer ook dat Alderman hier en daar vervalt in plechtstatige, Bijbelse taal.

In Het boek van leugenaars weerklinkt niet alleen de Bijbel. Aldermans Jehoeda/Judas doet in zijn oprechte teleurstelling over de weg die Jehosjoea kiest sterk denken aan de Judas uit de film Jesus Christ Superstar. Je ziet hem al verbeten zingend door de woestijn benen.

Maar Alderman verrast door haar Judas geen zelfmoord te laten plegen: hij krijgt onderdak bij een rijke Romein, bij wie hij als tegenprestatie na de maaltijd ironisch getoonzette verhalen over zijn tijd bij Jehosjoea moet vertellen.

En zo speelt Alderman met onze verwachtingen door te laveren tussen wat we al kennen en de door haar verzonnen alternatieven. Dat werkt het best in het laatste deel van het boek, gewijd aan Bar Avo/Bar Abbas, die door prefect Pilatus wordt vrijgelaten ten koste van Jehosjoea.

In de belevenissen van Bar Avo komen we elementen tegen die we in de verhalen over Jehosjoea misten: vissers worden tot volgelingen gemaakt, er is een laatste avondmaal en de volgeling die Bar Avo voor wat muntgeld aan de Romeinen verraadt, hangt zich later op uit wroeging. Het is duidelijk dat Alderman erop zinspeelt dat voor latere generaties de verhalen van Jehosjoea en Bar Avo door elkaar zijn gaan lopen, maar ze legt dat niet uit, ze laat het aan de lezer om die conclusie te trekken.

Aldermans personages maken zich helaas regelmatig schuldig aan iets waar meer personages uit historische romans aan lijden: ze kijken te goed om zich heen, alsof ze toeristen in hun eigen tijd zijn; zo komen we als lezer van alles aan de weet, maar het blijft wringen.

Soms pakt ze het wél goed aan. Als de jonge Mirjam langs de wegen kruizen ziet staan waaraan de Romeinse bezetters opstandelingen hebben opgehangen, benoemt de latere moeder van Jehosjoea die dingen niet als kruizen, maar als ‘houten constructies’. En opeens ben je als lezer ter plaatse, in een vroegere wereld waar nog niet alles voorzien is van de namen die sindsdien gemeengoed zijn geworden.