De aard van menselijkheid

Scott Hutchins

In de klassieke sciencefiction-film Blade Runner, gebaseerd op Philip K. Dicks roman Do Androids Dream of Electric Sheep, worden subjecten aan een emotioneel geladen vraaggesprek onderworpen om vast te kunnen stellen of ze mens of robot zijn. Met het voortschrijden van de techniek is het verschil daartussen steeds moeilijker vast te stellen – fysiek, maar in toenemende mate ook qua intelligentie en emoties.

Stel dat een robot denkt en voelt als een mens, maar ook: stel dat een robot dankzij voorgeprogrammeerde jeugdherinneringen niet eens weet dat hij of zij een machine is. Het is één van de vele manieren waarop Dick worstelde met een centrale vraag in zijn werk: wat betekent het om mens te zijn?

Dicks Voight-Kampff Test is losjes gebaseerd op de Turing Test, die weer de computervariant is van een Victoriaans spel dat ‘The Imitation Game’ werd genoemd. In dat laatstgenoemde spel beantwoordden een man en een vrouw vanachter een gordijn schriftelijk vragen, waarna het publiek moest raden wie wie was.

De briljante wiskundige Alan Turing, grondlegger van de informatica, stelde dat een computer pas intelligent genoemd kon worden als het apparaat in een vergelijkbare test dertig procent van de jury de indruk zou weten te geven dat er met een mens wordt geconverseerd.

Het is niet vreemd dat de essentie van menselijkheid Turing obsedeerde: hij werd vervolgd wegens zijn homoseksuele geaardheid en chemisch gecastreerd. Turing speelde als codekraker een belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog, maar werd toch nooit volledig als mens geaccepteerd.

Scott Hutchins intrigerende, maar gemankeerde debuutroman A Working Theory of Love onderzoekt de aard van menselijkheid op verschillende manieren. Aan de ene kant is het het verhaal van de jacht op Turings dertig procent. Amiante, de computerfirma van het uitgerangeerde genie Henry Livorno, heeft duizenden dagboekpagina’s aan een programma gevoerd, in de hoop er uiteindelijk een menselijk karakter mee te simuleren en zo een uitgeschreven Turing-wedstrijd te winnen.

De dagboeken behoorden toe aan Dr. Neill Bassett Sr., een dokter uit Arkansas die zelfmoord pleegde en bekend stond als de ‘Samuel Pepys van het Zuiden’. Diens zoon, Neill Bassett Jr, is als deskundige bij het project betrokken. Maar ook aan Neills menselijkheid mag getwijfeld worden. Pas gescheiden leeft de dertiger maar wat aan in hip en liefdeloos San Francisco, ‘de stad die nooit slaapt zonder erover te bloggen.’

Neill heeft zichzelf de logica van het vrijgezellenbestaan aangeleerd, ‘een smetteloos systeem, met weinig ruimte voor sentimentaliteit.’ Maar dan ontmoet hij de jongere Rachel, een problematisch meisje dat betrokken is bij een ook al hippe sekte die mensen in contact brengt met zichzelf, onder meer middels seksuele oefeningen.

Dit suggereert erg veel ideeën voor een roman van behapbare lengte. Daarin schuilt – de sprankelende stijl, kleurrijke karakters, fijne couleur locale en geestige oneliners ten spijt – dan ook de achilleshiel. Het zijn vooral de scènes met de steeds menselijkere dokter die tot de verbeelding spreken.

De gesprekken tussen zoon en surrogaat-vader staan bol van de spanning. Niet alleen: zal de computervader ‘ontwaken’ en een werkelijke weergave van het model worden? Maar ook: waarom pleegde hij zelfmoord? Welke geheimen gaan verborgen achter de leemtes in de dagboeken? En waarom was de relatie tussen Neill junior en senior zo kil en beladen? De zoon kan uiteindelijk zelfs meer contact bewerkstelligen met de machine dan met de vader van vlees en bloed.

De andere aspecten van de roman, de zedenschets van het moderne stadsleven en de marketing-lingo van een moderne sekte, voelen als distracties. Had Hutchins zich meer op de kern van zijn boek geconcentreerd, dan had hij ook filosofisch meer kunnen bieden.

De schrijver heeft een hoofdfiguur gekozen die slechts dankzij zijn familierelatie tot de dokter geduld wordt door de programmeurs en denkers. Maar dus ook een hoofdfiguur die ons weinig toegang biedt tot de filosofische en technische stand van het vakgebied. Het blijft schetsmatig, met de werktheorie uit de titel – bron van een doorbraak in het onderzoek – als toppunt.

Mogelijk dat Hutchins gevreesd heeft dat zijn boek onaanraakbaar zou worden. Maar nu is A Working Theory of Love toch vooral het boek van een alfa die zich te aarzelend aan bèta-zaken heeft gewaagd. Of, als we het vriendelijker willen uitdrukken, het werk van een schrijver die teveel mens is gebleven, en te weinig machine durft te zijn.