Voorbeelden Rechter hoort iets anders dan politie

In het onderzoek van de politie Noord-Holland naar een 46-jarige van handel in harddrugs verdachte man oordeelde de rechtbank Alkmaar vorige week dat 9 van de 18 verbalen van afgeluisterde telefoongesprekken „onjuist zijn uitgewerkt”. Een paar voorbeelden.

De rechtbank constateert dat een tap een ‘leeg gesprek’ bevat: „Er wordt niets gezegd, het nummer dat wordt gebeld wordt niet opgenomen en evenmin wordt een voicemail ingesproken.”

Maar de politie schrijft in het proces-verbaal: „NN man zegt dat ie een half boekje heeft gekregen”

Conclusie van de rechtbank: „Hetgeen in het proces-verbaal uitwerking tap ten aanzien van deze gesprekken is gerelateerd, is dus uit de lucht gegrepen.”

In een ander gesprek wordt de verdachte van koper tot verkoper van drugs gemaakt.

De verdachte vraagt: „Heb je 4 gram voor me?”

In het verbaal van de politie probeert hij 4 gram te verkopen.

Weer een ander gesprek is volgens de rechtbank totaal onverstaanbaar. Het oordeel van de rechtbank: „Aldus valt niet vast te stellen of hetgeen gerelateerd is in het proces-verbaal uitwerking tap met onderwerp “2 meijer” ook daadwerkelijk is gezegd.”

In weer een ander gesprek neemt een vrouw de telefoon op.

De politie schrijft het gesprek toe aan de mannelijke verdachte.

De rechtbank zegt dat met betrekking tot deze tapgesprekken de uitwerking door de politie „in strijd is met de daadwerkelijk gevoerde telefoongesprekken, dan wel onvolledig of oncontroleerbaar is”. Ze zijn „in voor verdachte zeer belastende zin onjuist uitgewerkt.”

Daarnaast zijn er nog drie tapgesprekken die door de politie onjuist en gekleurd worden geïnterpreteerd. Volgens de officier van justitie was in dit onderzoek sprake van „een vergissing”. De rechtbank zegt deze redenering „absoluut niet te kunnen volgen” en spreekt van „onherstelbaar vormverzuim”.

De rechtbank: „Op de juistheid van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal moet de rechtbank – en uiteraard geldt dit evenzeer voor de andere deelnemers aan het strafproces – zonder meer kunnen vertrouwen”. Nu dit niet het geval blijkt, wordt het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte tegen wie een celstraf van 12 maanden is geëist, gaat vrijuit. Hij heeft vier maanden ten onrechte vastgezeten.