Vele wetten en aanvalsplannen later loont misdaad nog steeds

Een nationale politie en allerlei herindelingen voorkomen niet dat 1,8 procent van aangiften tot veroordeling leidt, weet Wopke Hoekstra.

In Nederland loont misdaad in 98% van de gevallen. Dat is extremer dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.

Hoe we dit weten? Uit de conclusies van het rapport ‘Prestaties in de strafrechtketen’ van de Rekenkamer, vorig jaar. Met strafrechtketen wordt bedoeld: de instanties die samen verantwoordelijk zijn voor de rechtshandhaving. Dus de politie, het OM, de rechterlijke macht en de reclassering. In dit rapport stonden vernietigende conclusies over de rechtshandhaving in Nederland. Ten eerste wordt met de meerderheid van de aangiftes niets gedaan. Ten tweede besluiten politie en OM in een groot aantal gevallen te seponeren. Ten derde slaagt de politie er in veel gevallen niet in de dader op te sporen. En ten vierde worden opgelegde boetes en gevangenisstraffen lang niet altijd ten uitvoer gelegd. Simpel gezegd: de veroordeelde zit thuis of bij familie voor de televisie, en de overheid laat hem daar zitten. Al met al becijferde de Rekenkamer dat van alle aangiftes die bij de politie op het bureau belanden, minder dan tien procent tot een ten uitvoer gelegde veroordeling leidt. Een schokkend laag aantal, maar daarmee zijn we er nog niet. De Rekenkamer nam het totaal aantal aangiftes als vertrekpunt. De Leidse rechtseconoom Van Velthoven heeft er op gewezen dat van veel misdrijven nooit aangifte wordt gedaan. Omdat burgers of bedrijven kennelijk niet geloven dat aangifte doen zinvol is. Alle uitval meewegend komt hij op een percentage van slechts 1,8 procent. Wat de even pijnlijke als fundamentele vraag oproept, waar ons vertrouwen in de rechtsstaat eigenlijk op gebaseerd is.

Destijds sloot de minister zijn reactie aan de Rekenkamer af met de formulering „te hebben duidelijk gemaakt dat er bepaald al het een en ander gebeurt, zoals u mij duidelijk maakte dat er nog veel te doen valt”. Dat klonk niet direct als: twee voor twaalf, alle hens aan dek. Wel gingen hij en zijn staatssecretaris door met wat zij al deden: het in hoog tempo produceren van nieuwe wetsvoorstellen. Vaak verstandig, soms onverstandig, bijna altijd controversieel. Denk aan de invoering van de nationale politie, de herziening van de gerechtelijke kaart en binnenkort de behandeling van de herziening ten nadele. Ook werden er ronkende ‘aanvalsplannen’ gepresenteerd, om vat te krijgen op ICT en bureaucratie. Aanvalsplan – in een land dat het ministerie van Oorlog lang geleden heeft omgedoopt in ministerie van Defensie blijft het een opvallende naamskeuze, maar dadendrang op gebied van wetten en plannen kan de minister niet ontzegd worden.

Inmiddels zijn wij een jaar verder. Eerder deze maand ontving de Eerste Kamer opnieuw bericht van de Rekenkamer. Een nieuwe kwantitatieve analyse – die zou uitwijzen of er sprake is van verbetering, stagnatie of achteruitgang van de prestaties – is nog niet gemaakt. Hoewel de Rekenkamer stelt dat er „stappen zijn gezet in lijn met de aanbevelingen”, vindt men het te vroeg om te beoordelen of de minister „daarmee tot een scherpe probleemanalyse en systematische oplossing van de knelpunten komt”. Vervolgens gaat het mes in het varken. Ten eerste is ook een jaar later nog niet bekend hoeveel en wat voor soort zaken er precies bij de politie uitstromen (dat wil zeggen: niet worden opgevolgd), en waarom. En ten tweede wordt 16 procent van de opgelegde vrijheidsstraffen en 14 procent van de boetevonnissen door executieverjaring niet ten uitvoer gelegd respectievelijk geïnd. Anders gezegd: niet alleen is de kans dat een misdadiger in Nederland voor de rechter komt buitengewoon klein, maar als hij dan veroordeeld wordt, laat de overheid hem in ruim één op de zeven gevallen ongemoeid.

Nu hoop ik van harte dat Rutte II de rit uitzit. Na een reeks aan voortijdig gestruikelde kabinetten zou een kabinet dat de vier jaar volmaakt een goede ontwikkeling voor Nederland zijn. Ook ben ik niet uit op het hoofd van de minister, nog ervan afgezien dat de vertrouwensvraag primair aan de Tweede Kamer is. Het probleem is bovendien ontstaan ver voor de huidige minister begon.

Maar een overheid die weliswaar veel wetten produceert, maar er niet op korte termijn in slaagt om bij meer dan 1,8 procent van de gepleegde misdaden recht te doen, nadert onvermijdelijk het einde van haar publieke krediet.

Wopke Hoekstra is lid van de Eerste Kamerfractie van het CDA.