Toen Suske en Wiske nog ongepolijst waren

Het Brusselse Stripmuseum toont hoe het oeuvre van de Belgische striptekenaar Willy Vandersteen groeide. Suske en Wiske zijn nu meer dan ooit kinderen, net als hun publiek. Maar zo was het niet altijd.

Aflevering van het weekblad ‘Bravo’ uit 1943

Als stripheld had Suske een slechte start. Hij ontbrak in het eerste album van wat de legendarische reeks Suske en Wiske zou worden. De mannelijke hoofdrol was toen, begin 1945, voor Rikki, Wiskes oudere broer. Maar Rikki leek te sterk op Kuifje, en maakte al in het tweede album, Op het eiland Amoras, plaats voor Suske.

Die ingrepen illustreren dat het de Antwerpse tekenaar Willy Vandersteen (1913-1990) niet meteen helder was wat het precies zou worden met zijn nieuwe strip. Begin dit jaar dook op een veiling een tekening op waarop Vandersteen in de marge nog enkele alternatieven voor zijn helden had genoteerd. Wiske had ook Pukki of Smoutje kunnen heten, Rikki misschien wel Koen. Het duurde tot 1954 voor Vandersteen met Suske, Wiske, Sidonia, Lambik, professor Barabas en Jerom zijn clubje hoofdpersonages rond had. In dat pseudogezin zijn alleen Wiske en Sidonia echt met elkaar verwant.

Een tentoonstelling in het Stripmuseum in Brussel suggereert indirect waarom Vandersteen zonder veel concrete plannen aan de reeks begon: hij had al de handen vol met tal van andere, nu meestal vergeten strips in jeugdbladen. Deze tentoonstelling grijpt Vandersteens honderdste geboortedag aan voor een breed overzicht van diens 1.800 stripalbums, waarvan ruim 320 Suske en Wiskes. Dat is een immense productie, wat alleen lukte doordat Vandersteen al vanaf 1949 medewerkers aantrok voor zijn ‘studio’, een tot vandaag toe zeer productief stripfabriekje.

De tentoonstelling vertoont echter een opvallende lacune. Ze verzwijgt dat Vandersteen tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de schuilnaam Kaproen werkte voor collaborerende Vlaams-nationalistische organisaties. Enkele van die tekeningen getuigen van een grof antisemitisme. Dat was Hergé, de tekenaar van Kuifje, toen overigens al evenmin vreemd. Vandersteen ontkende altijd dat hij Kaproen was. Maar omdat de geruchten daarover de handel konden schaden, vroegen de uitgeverij en de erven van Vandersteen enkele historici om klaarheid te brengen. In 2010 konden die de ergste vermoedens alleen maar bevestigen.

Plagiaat

Vandersteen stond altijd erg open voor invloeden, al kan dat ook opportunisme heten. Of plagiaat, toen hij de stijl kopieerde van Amerikaanse successtrips, zowel de realistische Prince Valiant van Hal Foster als de humoristische Krazy Kat van George Herriman. Een groot, laat staan innoverend tekenaar is Vandersteen daarom nooit geworden. Zijn kracht lag in zijn vaak fantastische verhaallijnen – en in zijn hoge productie, ook in de vele spin-offs die hij bedacht. Maar tot op de covers van zijn vroege albums, zo is in Brussel te zien, valt bijvoorbeeld niet om de soms pijnlijke perspectieffouten heen te kijken.

In 1944 stuurde de krant Het Laatste Nieuws Vandersteen nog weg omwille van zijn oorlogsverleden, maar De Standaard ruimde vanaf 30 maart 1945 wel plaats in voor Rikki en Wiske in Chokowakije. Na de Tweede Wereldoorlog schatten Belgische kranten het belang van beeldverhalen hoog in. Kuifje had al bewezen dat vervolgstrips met humor en avontuur de lezers aan de krant konden binden en altijd weer jonge, nieuwe lezers aantrokken. Het Amerikaanse stripaanbod was groot en relatief goedkoop, en ook reeksen als Panda en Kappie uit de studio van Marten Toonder kregen in België een ruim publiek. Vlaamse katholieke kranten, zoals De Standaard toen, prefereerden echter eigen tekenaars, ongetwijfeld omdat die, in de toen nog strakke verzuiling, ideologisch makkelijker te controleren vielen. Goed betaald werden ze niet, maar de meesten waren jong en ambitieus, terwijl vervolgstrips net uitzicht boden op een langdurige publicatie, een groot publiek – en op naambekendheid.

Wat ze tekenden, waren niet zomaar kinderstrips. In de schaarse media van de tijd moesten ze een publiek ‘van 7 tot 77 jaar’ gerieven, zoals de slagzin luidde van het in 1946 gestichte stripweekblad Kuifje. Hun functie is te vergelijken met die van televisiesoaps vandaag. Ze brachten complexe verhalen met een rechtlijnige, spannende en grappige bovenlaag, met daaronder een maatschappelijk en politiek commentaar, vol toespelingen die niet essentieel waren om het verhaal te kunnen volgen, maar die volwassen lezers wel meteen herkenden en konden smaken.

Koude Oorlog

Dat was ook de rijkdom van de ‘vroege’ Vandersteen. In Suske en Wiske is vooral Lambik de vertolker van een kleinburgerlijk gemopper over sjoemelende politici of hoge belastingen. Vandersteen maakte vooral voortdurend politieke allusies. Zo is het Chokowakije in zijn debuut – toen de Koude Oorlog nog volop moest uitbreken – een nare Oostblokstaat met een Gestapo-achtige geheime politie. Dat anticommunisme paste bij de toespelingen waarmee Vandersteen indirect pleitte voor een milde bestraffing van collaborateurs, of waarmee hij in politieke controverses steevast partij koos voor de katholieke rechterzijde.

De herkenbaarheid in personages, decors en taal, maakte de Vlaamse krantenstrips – ook Nero van Marc Sleen of Jommeke van Jef Nys – erg populair. Maar ze vielen erdoor wel moeilijk te exporteren, zelfs naar Nederland, al lag daar voor de Vlaamse strip een groot potentieel afzetgebied. Enkel de altijd pragmatische Vandersteen zocht een bredere markt door Suske en Wiske – die al in 1946 via het dagblad De Stem in Nederland debuteerden – te ‘ontvlaamsen’.

Couleur locale

Zo heette Sidonia aanvankelijk Sidonie en ging Jerom even als Jeroen door het leven. Ook Wiskes pop Schanulleke had eerst een andere naam: Schalulleke. Niet dat dit in Vlaanderen iets onbetamelijks suggereert; het is Brussels dialect voor pijpajuin (lente-ui), al helpt dat in deze context waarschijnlijk ook niet echt. Tot 1964 kregen de albums een aparte Vlaamse en Nederlandse editie, met een voor 15 procent verschillend taalgebruik. Uiteindelijk verdween alle couleur locale uit de strip en woonden Suske en Wiske niet langer in het Antwerpse, wel ‘ergens’ in de Lage Landen. Voor hun wereldreizen waren ze overigens al langer klant bij de KLM – een vroeg voorbeeld van product placement, zoals het ook geen toeval was dat Lambik een tijdlang met auto’s van Ford reed.

Wat commercieel lukte, schaadde echter de authenticiteit. Wat de strip ooit charmant en verrassend maakte, Vandersteens fantasie, verdween in de gepolijste mainstream van een one size fits all. In de zoektocht naar een grootste gemene deler vernauwde de gelaagdheid tot oppervlakkig gemoraliseer, zoals het ‘bemin elkander’ waarmee De snorrende snor (1956) eindigt. En de taalspelletjes krompen in tot een vaak geforceerde alliteratie in de titel.

Ondertussen segmenteerde het medialandschap. De culturele versplintering van de voorbije decennia biedt elk deelpubliek, hoe klein ook, nu zijn eigen media en content. Voor de algemene strip is daarin geen plaats meer. Suske en Wiske werd definitief een kinderstrip, al daalt de verkoop zienderogen. Alleen een constant productieritme houdt de reeks nog in leven. Want kinderen lezen nu ook anders. Ze verzamelen of herlezen geen strips meer; daarvoor zijn ook Suske en Wiske te eendimensionaal geworden. Na een eerste lezing kunnen ze niet meer verrassen. De albums dienen alleen nog voor onmiddellijke, eenmalige consumptie. Volwassenen die toch nog iets extra verlangen, zoeken dat bij de artistiek ambitieuze Franse volwassenenstrips, Japanse manga’s of uit de VS overgewaaide graphic novels.

Misschien kan de tablet Suske en Wiske nog even helpen overleven – de uitgeverij verwacht daar veel van. Maar het verhaal dat nu in het Brusselse Stripmuseum te zien is, behoort echt wel tot het verleden.

‘Willy Vandersteen vertelt’. T/m 1 sept in het Belgisch Stripmuseum, Zandstraat 20, Brussel. Inl: www.stripmuseum.be