Tegendraadse memoires in het Egypte van Morsi

In Egypte zijn memoires verschenen van de koran-geleerde Abu Zayd. Het boek beschrijft de botsing met het gezag, die hem naar Nederland dreef.

Omslag van Abu Zayds memoires

In het Egypte van president Morsi is de islamisering van het publieke leven een zichtbaar proces. Nooit waren in de media zoveel bebaarde heren te zien en te horen, terwijl onder Mubarak nog gold ‘de baard is de vijand’. Langzaam maar zeker worden islamitische waarden in de praktijk gebracht, en wordt de maatschappij gelijkgeschakeld.

Dat alles gebeurt met de vanzelfsprekende zekerheid bij ‘de baarden’ dat zij Gods woord op zak hebben. Gods wet kennen wij vooral door de Koran, maar dat boek is niet alleen maar goddelijk geïnspireerd zoals de Bijbel, het is Gods letterlijke en onveranderlijke woord, anders gezegd: er kan niets bij en er kan niets af. Dat heeft altijd al voor problemen gezorgd.

De Egyptische Korangeleerde Nasr Abu Zayd (1943-2010) ondervond dat aan den lijve. Zijn idee dat de Koran ook bestudeerd kon worden als een menselijke tekst leverde hem direct de beschuldiging van geloofsafval op. Hij raakte in de jaren negentig verwikkeld in een serie complexe rechtszaken waardoor uiteindelijk zijn huwelijk met Ibtihal Younis van rechtswege werd ontbonden: een moslimse vrouw kon immers niet met een afvallige getrouwd zijn.

Uitgerekend in dit islamiserende Kairo zijn nu bijna drie jaar na Nasr Abu Zayds plotselinge overlijden zijn ‘memoires’ verschenen, ‘Ik ben Nasr Abu Zayd’. Over het vonnis in hoger beroep zegt hij daarin: „Dat was een complete verrassing. Ik weet niet hoe zo’n vonnis moet worden uitgevoerd. Vertrek ik uit de flat, of gaat dr. Ibtihal er weg? Of worden wij er allebei door de sterke arm uit gezet? Ik weet niet hoe ik die nacht doorgekomen ben. De volgende dag stond het flatje vol met vrienden”.

En na de verloren cassatie: „Daarop schreef ik een manifest ‘Ik denk dus ik ben een moslim’ dat ik naar het tijdschrift Ruz al-Yusuf stuurde [..] Ik schreef daarin ‘Door dit onrechtvaardige vonnis is duidelijk dat het de moslims niet gelukt is om de afgelopen eeuw binnen te komen. Is alles dan werkelijk verloren, de geschiedenis, ons erfgoed, het vaderland? Wordt onze lijfspreuk nu ‘Jij denkt dus jij bent een afvallige’, na eeuwenlange bloei van het islamitische denken, waarin gold: ‘Ik denk omdat ik moslim ben’, of ‘omdat ik moslim ben moet ik denken’?”

Nasr Abu Zayd kwam uiteindelijk in Nederland terecht. Eerst kreeg hij een aanstelling aan de Universiteit Leiden, later bij de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Hij werd er de typische balling, met weinig oog voor zijn omgeving, en volledig gefocust op het werk dat hij liever in Egypte had willen voortzetten. Sommige van zijn Leidse sympathisanten zagen in hem vooral een dissident, maar dat wilde hij nu juist niet zijn.

Allerlei misverstanden waren het gevolg. Toen hij in 2000 in Leiden op de prestigieuze Cleveringaleerstoel was benoemd, was zijn oratie ‘The Qur’an. God and Man in Communication’ voor veel toehoorders een teleurstelling. Zij kregen een openbare les in modernistische Koranuitleg. Zij hadden gehoopt op een moslim-dissident die met boude uitspraken over de islam zijn schepen achter zich zou verbranden.

Maar Nasr Abu Zayd was niet van plan rituele zelfmoord te plegen: „Ik ben geen held, en ook geen verlicht denker, en ik wil niet dood, ik houd verschrikkelijk veel van het leven. Ik ben alleen maar een schoolmeester, een onderzoeker, en ik ben niet bereid om een martelaar te worden.”

Het boek heeft de vorm van een ego-document maar dat is misleidend. De Egyptische romancier Gamal Umar uit New York is in feite de auteur. Hij heeft zich wel grotendeels gebaseerd op de vele uren audio- en video-opnamen die van Nasr Abu Zayd bestaan. De memoires bestrijken zijn leven vanaf zijn vroege jeugd tot tien dagen voor zijn overlijden, met als dramatisch begin de omstandigheden waaronder zijn echtgenote en hij besloten Egypte te verlaten.

In het bijzonder beschrijft Nasr Abu Zayd de storm die in Egypte om zijn persoon woedde, en die hem uiteindelijk naar de vrijheid in Nederland dreef. In het beschermde bestaan daar heeft hij zich weten te herstellen en kon hij zich ontwikkelen tot een islamitisch humanistisch denker van formaat.

De situatie na de aanslagen van 11 september 2001 veroorzaakte een nieuw dilemma: „Als je het traditionele islamitische denken bekritiseert heet je een bondgenoot van het Westen, een vijand van de islam, en als je kritiek hebt op het Westen word je bij de fundamentalisten ingedeeld en verdedig je Osama bin Laden.”

Uiteindelijk besloot hij zijn project van ‘de menselijke Koran’ niet op te geven: „Had ik dat wel gedaan, dan was ik pas echt in ballingschap geraakt.” Dat Nasr Abu Zayd in de herinnering nog springlevend is, blijkt ook uit de aandacht in de Egyptische seculiere pers voor deze ‘memoires’.

Jan Just Witkam is emeritus hoogleraar ‘Handschriftenkunde van de Islamitische Wereld’