Kunstenaar van nu: arbeider en manager in één

Hoe vergaat het de kunstenaars die vorig jaar afstudeerden aan de Nederlandse academies? ‘Dat we niet rijk zouden worden, dat wisten we al.’

Honderden afgestudeerde kunstacademiestudenten kwamen afgelopen zomer de markt op. Het is de eerste generatie die het zonder kunstenaarsuitkering WWIK moet zien te rooien. Negen van hen kwamen afgelopen zomer in deze krant aan het woord. Ze waren opgevallen tijdens de eindexamenexposities en mochten in een serie hun werk presenteren. Nu, ruim een half jaar later, is een van hen aan een masteropleiding begonnen, de anderen komen rond van hun werk als kunstenaar. „Een vetpot is het niet, maar linksom of rechtsom lukt het om je hoofd boven water te houden.”

Heel even wilde Rudolf Romero (28) niets meer te maken hebben met kunst. „Misschien is dit toch niets voor mij”, dacht de installatiekunstenaar. Hij kreeg de eerste weken nauwelijks reacties op zijn werk, laat staan een uitnodiging voor een tentoonstelling. „Op de academie zit je in je eigen wereldje, daarna kom je erachter dat niemand op jou en je kunst zit te wachten.” Het dipje duurde maar even. Romero kreeg een startstipendium toegekend, dat was het nodige zetje in de rug. Inmiddels is hij bezig met een documentaire. „De film gaat over de risico’s in het leven.” Hoofdpersonage is een piloot die voor het goede doel meedoet aan een kickboksgala, „heel moedig, één rake klap en hij kan nooit meer vliegen”.

Moed is wat je nodig hebt om nu als kunstenaar te beginnen. De economische crisis maakt het moeilijk om werk te verkopen en sinds begin vorig jaar is de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars (WWIK) afgeschaft. Deze regeling gaf kunstenaars de mogelijkheid om binnen tien jaar maximaal vier jaar een aanvulling op hun levensonderhoud te krijgen. Uit cijfers van het CBS blijkt dat vooral jonge, net afgestudeerde academiestudenten hier gebruik van maakten om zo een bestaan als zelfstandig kunstenaar op de bouwen.

De 24-jarige Jet Smits besloot, mede door het wegvallen van de WWIK, de kunstmarkt nog even te laten voor wat die is. Na haar opleiding Audiovisuele Vormgeving aan de AKV St. Joost in Breda studeerde ze door en volgt nu de master Artscience aan de KABK in Den Haag. „Het leek me geen goed moment om nu te beginnen”, zegt Smits. De studie geeft haar twee jaar tijd om zichzelf en haar werk nog verder te ontwikkelen. „Daarna is de economie hopelijk weer wat aantrekkelijker voor kunstenaars.”

De andere acht afgestudeerden proberen nu een bestaan als kunstenaar op te bouwen. Net als 60 procent van de Nederlandse kunstenaars kozen ze voor een bestaan als zzp’er. Het bevalt ze goed, eindelijk hebben ze tijd en ruimte om hun eigen ideeën te realiseren. Maar de vrijheid brengt ook onzekerheid met zich mee. Vrijwel allemaal bleven ze na hun opleiding zitten met praktische vragen over hun werk. Hoe vul ik mijn belastingaangifte in? Waar vind ik een koper of een galerie? Wil ik überhaupt met een galerie werken en zo nee, wat zijn de alternatieven?

Bedrijfje

Zeker sinds de bezuinigingen van het kabinet-Rutte I wordt de kunstenaar gezien als ondernemer, die net als een loodgieter of timmerman zijn bedrijfje draaiende moet zien te houden. Maar de mate waarin kunstacademies hun studenten voorbereiden op dit economische aspect van het kunstenaarschap verschilt.

De Gerrit Rietveldacademie in Amsterdam staat erom bekend weinig woorden vuil te maken aan ‘cultureel ondernemerschap’. Je leert er kunst te maken, zegt fotografe Ola Lanko (27), hoe je die kunst vervolgens kunt verkopen, moet je zelf uitzoeken. Tot nu toe lukt Lanko dat. De fotografe, die voor haar eindexamen uit een kilopak de 5.460 korrels rijst afzonderlijk fotografeerde, kreeg in september het Steenbergen Stipendium toegekend en komt net terug uit Oekraïne, haar geboorteland, waar ze een solotentoonstelling had. Ze komt rond van de verkoop van foto’s en pakt alle opdrachten die ze pakken kan, ook commerciële klussen als het ontwerpen van een cd-hoesje.

Lanko vindt het niet erg dat boekhouding op de Rietveld niet in het vakkenpakket zit, ze kreeg daardoor alle tijd en ruimte om iets bijzonders te maken, zegt ze. „Het is nu misschien een beetje lastig, maar deze fase hoort erbij.” Ook de Groningse schilder Jan Blank vraagt zich af in hoeverre je ondernemerschap op een academie kunt leren. „Uiteindelijk pakt iedereen het anders aan”, zegt Blank die van de verkoop van zijn landschappen aardig rond kon komen. Na de eindexamenexpositie ging hij enkele maanden naar Ierland waar hij in alle rust een nieuwe collectie kon schilderen. Hij leert veel van zijn ouders die beiden ook kunstenaar zijn.

De behoefte aan advies van meer ervaren collega’s is groot, zeggen de kunstenaars. Velen zochten daarom een atelier in een pand met andere kunstenaars. „Ik moet nog zoveel ontdekken en leren, het is fijn om wat mensen om me heen te hebben die ik om hulp kan vragen”, zegt de Twentse beeldhouwer Luuk van Binsbergen.

Belofte

Kunstenaars die elkaar onderling helpen is ook het idee achter De Belofte, een onderdeel van de Utrechtse vereniging Kunstliefde. Videokunstenaar Jasper Timmermans (23) is een van de net afgestudeerde Utrechtse kunstenaars die in september werden geselecteerd voor het project. Ze krijgen hulp bij hun eerste stappen als beeldend kunstenaar en realiseren samen een thematentoonstelling. Maar ze moeten er ook iets voor terugdoen. „We organiseren lezingen en discussieavonden voor verenigingsleden, daar komen onderwerpen aan bod waar tijdens de opleiding weinig aandacht aan werd besteed, marketing bijvoorbeeld.”

Door het gebrek aan kennis over boekhouding en financiën nemen zelfs noodzakelijke taken als belastingaangifte veel tijd in beslag, zeggen de kunstenaars. De 23-jarige Roos Holleman vergelijkt het met het runnen van een bedrijf. „Je bent arbeider, producent, ontwerper, manager, noem maar op. En iedere dag moet je voor al die lui de wekker zetten en hun planning maken.” Dit maakt het voor de startende kunstenaar lastig om het hoofd erbij te houden. Nog erger wordt het als ze daarnaast geld moeten verdienen met een bijbaantje, en dat is sinds het wegvallen van de WWIK voor veel jonge kunstenaars een realiteit.

Het merendeel van de acht afgestudeerden moet af een toe hun eigen werk laten liggen om voor inkomsten te zorgen. Ze pakken het verschillend aan. Sommigen hebben een bijbaan in een kledingwinkel of schnabbelen bij als drumleraar, anderen doen af een toe een commercieel klusje en derden werken een maand of twee als freelancer om zich vervolgens weer een paar maanden helemaal op hun werk te kunnen concentreren.

Een vast bijbaantje maakt het lastig om nog intensief met je werk bezig te zijn, denkt mediakunstenaar Matthijs Munnik. Hij is blij dat hij genoeg inkomsten heeft van exposities op internationale festivals en een subsidie van het Mondriaan Fonds. Oud-studiegenoten met een bijbaantje ziet hij worstelen. „De baantjes verdienen meestal niet goed, je moet dus veel uren draaien om ervan rond te kunnen komen.” Vooral wie een bijbaan heeft die ver af staat van zijn creatieve werk, loopt gevaar zich steeds meer van de kunstwereld te verwijderen, denkt Munnik.

Beeldend kunstenaar Marije Gertenbach doet af een toe klussen op freelance basis. Zo heeft ze onlangs als decorschilder gewerkt bij het Nationale Ballet. „Leuk, maar niet hetzelfde als je eigen werk.” De WWIK zou zeker hebben geholpen, denkt Gertenbach. Wie zich niet continu druk hoeft te maken om geld heeft meer ruimte voor creativiteit. Maar erg vindt ze het niet. „Het duurt wat langer allemaal, maar uiteindelijk lukt het ook zo wel.”

De doorzetter wint, lijkt het motto onder jonge kunstenaars. Deze instelling is nodig, gezien het grote aantal kunstenaars in de dop dat jaarlijks van de academies afkomt. Slechts 42 procent vindt daarna werk als kunstenaar of in een creatief beroep, blijkt uit cijfers van het ministerie. Ook de werkloosheid ligt onder kunstenaars anderhalf jaar na het afstuderen 2,8 procent hoger dan gemiddeld. Om de opleidingen beter te laten aansluiten bij het beroepsveld willen de academies in de toekomst minder studenten aannemen. De HBO-Raad adviseert de hogescholen hun instroom door middel van strengere toegangseisen tot 2016 met een kwart te verminderen.

Installatiekunstenaar Rudolf Romero is er niet rauwig om. Hij ziet veel studenten op de academie die er eigenlijk niet thuishoren. „Ze kiezen voor de academie omdat ze hun creativiteit kwijt willen”, denkt Romero. Maar daar heb je volgens hem geen academie voor nodig. „Een bakker kan ontzettend creatief zijn met brood en een jurist met de wet. De drang om kunst te maken moet de enige reden zijn om naar de academie te gaan. Je weet dat je er niet rijk van zult worden, maar dat vind je dan ook niet erg.”