Koketteren met de dood

De tentoonstelling L’ange du bizarre in Musée d’Orsay wil de bezoeker met duistere foto’s, schilderijen en films angst aanjagen.

Maar zijn wij nog bang voor de heksendans van Goya of een vampier van Munch?

Caspar David Friedrich, ‘Küste bei Mondschein’, 1835-36

Dit is geen tijd voor kunst uit de zwarte romantiek. Wat de negentiende eeuw eng vond, is nu vermaak voor tieners. Frankenstein, monsters, vampiers, daar maken we films en tv-series van. Twilight, Buffy the Vampire Slayer, True Blood, The Walking Dead, het boeit een miljoenenpubliek van pubers en volwassenen. Maar niemand is nog bang dat wat in die series gebeurt werkelijkheid wordt. We vinden het alleen maar fijn om veilig en nostalgisch even te doen alsof.

De grote tentoonstelling L’ange du bizarre; Le romantisme noir de Goya à Max Ernst in Musée d’Orsay in Parijs begint met een fragment uit de klassieke Duitse horrorfilm Nosferatu. Een reiziger wordt door een enge koetsier naar een eng kasteel in het woud gebracht. Van het gewone leven naar de wereld van de angst is het slechts een korte reis. In acht duistere zalen laat Musée d’Orsay sculpturen, schilderijen en films zien van 1760 tot 1940, die de kijker angst aan willen jagen.

De makers van de tentoonstelling, Côme Fabre van D’Orsay en Felix Krämer van het Städel in Frankfurt, waar de expositie tot 20 januari te zien was, hebben een uitstekende selectie gemaakt van zwart-romantische kunst, maar helaas blijft de beoogde primaire reactie in bijna alle gevallen uit. Het is niet eng om te kijken naar een gnoom die op de borst van een slapende vrouw zit op het bekende schilderij The Nightmare van Henry Fuseli, of naar een duivel die dreigend zijn vleugels spreidt, of naar een ets met een heksendans van Goya. Zulke beelden roepen zelfs een historisch medelijden op met mensen die zich daardoor schrik aan lieten jagen. Om ons bang te maken is zeker sinds 2001 meer nodig.

De apocalyps als een ineenstortende stad die op het schilderij The edge of doom van Samuel Coleman in een vuurzee wordt weggezogen, is een van de werken op de expositie die wel de beoogde gevoelens oproepen. Het engst is Der Wald van Max Ernst, een zwart en rood modern stadslandschap waar de wolkenkrabbers tegen elkaar aan zijn gekropen en alle licht en ruimte uit weg geperst is. Een rode zon als een kogelgat kijkt nog half boven de bouwsels uit en een vogel, slechts getekend met een stippellijntje, vliegt zich tegen de gebouwen te pletter. Het bloed van zijn vleugels druipt van de gevels.

Met zo’n beeld kun je een eenentwintigste-eeuwer bang maken. Heksen, vampiers en monsters onder het bed, dat is entertainment.

Angst voor de duivel

Zwarte romantiek gaat over koketteren met angst en dood. De tentoonstellingsmakers wijzen er terecht op dat het geen wonder is dat de stroming groot werd in de tijd na de Verlichting toen Napoleons oorlogen en terreur duidelijk hadden gemaakt dat de rede alleen niet tot een betere wereld leidt. Maar zonder een rationele kijk op leven en dood, is het onmogelijk romantisch om te gaan met de horror die zwarte romantiek kenmerkt. Echte angst voor de duivel laat geen ruimte voor zulk spel.

De meeste kunstwerken op de expositie zijn illustraties bij mythes (een sfinx die aan een door haar verleide man knaagt), klassieke toneelstukken (Medea die haar kinderen slacht), verhalen uit de Bijbel (Salomé met het afgehakte hoofd van Johannes de Doper). Veel verwijzingen ook naar de enge boeken die sinds Horace Walpole’s gotische roman The Castle of Otranto (1764) een populair genre waren geworden met schrijvers als Edgar Allan Poe, E.T.A. Hoffman, Charles Baudelaire en Lord Byron. Dat het afgeleide, illustratieve kunst is, is een andere verklaring voor de zwakke gevoelens die ze nu oproepen. De beeldend kunstenaars uit de zwarte romantiek laten zien wat er in de oorspronkelijke literatuur gebeurt, maar bijna nooit weten ze de horror van het origineel op te roepen.

Natuurlijk lukt dat Francisco de Goya wel met zijn talloze tekeningen over de verschrikkingen die de mensen elkaar aandoen. Tussen zijn tientallen prenten op de expositie hangt er één uit de serie Les Chinchallas waarop een krankzinnige tandarts twee mensen mishandelt. Een van zijn slachtoffers lijkt op de Frankenstein zoals wij hem kennen sinds Boris Karloff. Heel attent draait in een ruimte ernaast een scène uit de Hollywoodfilm uit 1931. En grappig is dat regisseur James Whale blijkbaar zijn zwart-romantische klassiekers kende, want die scène eindigt met een gevelde vrouw op bed, in exact dezelfde houding als op het schilderij The Nightmare van Fuseli.

Macabere sfeer

Als iets tijdloos is in de kunst van de zwarte romantiek, zijn het de landschappen in macabere sfeer van Duitse romantici als Arnold Böckling, Carl Gustav Carus en Caspar David Friedrich. Het geldt helemaal voor het berglandschap met gletsjer van de Oostenrijker Thomas Ender waarop geen mens te zien is, alleen de puntige ijskoude gletsjer op een onherbergzame bergtop. De wrede natuur kennen we ook nu nog, van overstromingen, aardbevingen, klimaatproblemen en milieuvervuiling. De Belgen William Degouve de Nuncques en Léon Spilliaert weten begin twintigste eeuw een even tijdloos en actueel gevoel van een vervreemde, dreigende wereld op te roepen in hun merkwaardig verlichte landschappen en stadgezichten. Maar met zwarte romantiek heeft dat weinig te maken, dat zijn nieuwe, twintigste-eeuwse angsten, net als die van de surrealisten als Max Ernst en de andere moderne kunstenaars op de expositie.

Het hart van L’ange du bizarre wordt gevormd door de laat negentiende-eeuwse symbolisten. Schitterende werken: La Débauche (1894) van Gustave Moreau met een naakte vrouw op een troon met aan haar voeten de resten van een bloedblad, bijna expressionistisch grof geschilderd. Vampyr (1896) van Edvard Munch met een roodharige vrouw die bijt in de nek van een man die zich in hun omstrengeling aan haar overgeeft. Ook Munchs Sjalusi (Jaloezie) (1913) met de driehoek van een krachtige vrouw, haar bedrogen echtgenoot en haar besmuikte minnaar laat de duistere kant van de liefde zien. Het toppunt in dat genre is de femme fatale op Die Sünde (1889) van Franz von Stuck. Zij verleidt met haar blote lichaam terwijl een grote slang zich over haar heupen en schouder slingert en vanaf haar andere schouder de toeschouwer strak aankijkt. De wellustige blik van de vrouw verdwijnt in de schaduw van haar lange haar, waardoor haar kwade bedoelingen ruimte laten voor twijfel.

Vrouwen moeten het ontgelden in de zwarte romantiek. Op veel van de schilderijen op L’ange du bizarre vervullen ze een hoofdrol, alsof zij een belangrijke bedreiging van het rationele zijn. Dat vertekent de werkelijkheid, want negentiende-eeuwse vrouwen schreven ook griezelverhalen: Frankenstein is een schepping van Mary Shelley. Zij genoten evenveel van gotische literatuur als hun eenentwintigste-eeuwse geslachtgenoten van de romantische liefde tussen vampier Edward Cullen en mens Bella Swan in Twilight. Trouwens ook door een vrouw geschreven.

Voor die voorkeur voor vrouwen als onderwerp zijn vele, al of niet freudiaanse, verklaringen te bedenken, maar de expositie doet dat helaas niet en wil vooral een kijkfeest zijn. L’ange du bizarre signaleert zelfs niet dat van de tweehonderd geselecteerde kunstwerken er exact één gemaakt is door een vrouw, Message de la fôret (1936) van de Tsjechische schilder Marie Cerminova die werkte onder de genderneutrale naam Toyen. Een hele kunststroming zonder vrouwelijke kunstenaars, dat is pas een angstwekkende gedachte voor de moderne mens.

‘L’ange du bizarre. Le romantisme noir de Goya à Max Ernst’. T/m 9 juni in Musée d’Orsay, Parijs. Inl: www.musee-orsay.fr