Jezus lachte nooit

Lachen was lange tijd not done. Atte Jongstra legt uit waarom pas na de Middeleeuwen actief lachen wel weer kon.

Lachen is een delicate zaak. Je moet het wel op het juiste moment doen. Toen Christus aan het kruis hing, meenden de omstanders dat hij een dwaas was, en barstte men in schateren uit. Sindsdien is het lachen onder christenen verdacht. Dat de beginselvaste christen geen lachebekje is, mag genoegzaam bekend worden verondersteld. De ongebreidelde, gulle lach welt aanzienlijk vaker in andere kringen op. Maar waarom is dat zo?

Ondanks het feit dat we op sommige schilderijen of foto’s een grinnikende kameel of een grijnzende chimpansee aantreffen is de lach in Gods Schepping slechts de mens voorbehouden. Dus lachen wij, om ons te onderscheiden.

Tellingen wijzen uit dat de canonieke Schrift überhaupt slechts vijftig lachpassages kent: vier in het Nieuwe Testament, zesenveertig in het Oude. Geglimlacht wordt in de integrale Bijbel slechts eenmaal.

Verderop in de Bijbel het Nieuwe Testament, over Jezus dus. Lachte Hij? Tegenwoordig meent men van wel, getuige Elton Truebloods The Humor of Christ (1964) of Witz, Humor und Ironie bei Jesus (1981), geschreven door de classicus Louis Kretz. Maar dat is een recent ontwikkelde visie, na krap twee millennia vol uitgestreken Christusgezichten. De Parijse prelaat Petrus Cantor (1135-1204) zei er dit over: ‘Hij kon misschien wel lachen, maar nergens staat dat hij het ook gedaan heeft.’ Er waren overigens ook politieke redenen om Jezus’ gezicht strak te houden. De gnostieken – ‘de ware weters’ – zien in de eerste eeuwen van de jaartelling een triomfantelijk lachende Christus aan het Kruis, maar zij behoorden niet tot de Kerk. Hun geschriften waren dan ook buiten de canon van het Nieuwe Testament gehouden. De officiële lezing was dat Jezus nimmer lachte.

In Seliges Lächeln und höllisches Gelächter valt te lezen welke gevolgtrekkingen er werden ontleend aan een humorloze Verlosser. Grondlegger van het kloosterleven Benedictus van Nursia (480-560) schreef zijn broeders voor: ‘Spreek geen loze of de lach opwekkende woorden.’ De beroemde Cisterciënzer abt en kloosterhervormer Bernardus van Clairvaux (1090-1153) loofde een overleden schiermonnik met de mededeling dat deze door niemand ooit lachend was waargenomen. Je kon volgens Bernard je mond sowieso beter dicht houden, als je niet at of psalmen zong. Voor je het wist schoot er een lach aan de lucht, terwijl het immers geboden was in het ondermaanse te treuren. Zoiets wekt maar misverstanden.

Over het begrip Renaissance is nogal getwist. Wanneer moet men deze culturele wedergeboorte situeren? En wanneer zijn de Middeleeuwen dus afgelopen? Sommigen houden vast aan het jaartal 1200, anderen zien pas enkele eeuwen later de eerste tekenen. Feit is dat omstreeks 1200 een sterk verhoogde belangstelling voor de literatuur der Klassieken valt waar te nemen, iets dat over het algemeen met Renaissance wordt geassocieerd. We zien op zijn minst een wedergeboorte van de lach in christelijk Europa. Misschien is dit te danken aan de Kruistochten, vanaf 1096 ondernomen. Via Arabische vertalingen herontdekte Europa het werk van Aristoteles, dat in Latijnse overzettingen werd verspreid. Met name vanaf 1230 boog men zich over diens opvatting dat lachen als een vorm van (noodzakelijke) ontspanning moet worden gezien. Evenmin beschouwde Aristoteles de stoffelijke wereld als jammerdal. We vinden zijn sporen terug in het leerstuk Anticlaudian van de cisterciënzer Alanus ab Insulis (1125-1203). Actief lachen bevordert volgens Alanus de mens richting volkomenheid. Melancholie, zelfmedelijden en passiviteit worden eenvoudigweg ‘neergelachen’.

Ook de Duitse theoloog Albertus Magnus (1200-1280) kwam via Aristoteles tot emancipatie van de lach, net als Thomas van Aquino (1224-1274). De laatste meende dat de mens nu en dan rust behoeft om de ziel stabiel te houden. Verstrooiing, humor en lachen helpen daarbij, aldus Thomas. De Akense bisschop Jacobus van Vitry (1160-1240) propageerde zelfs humor in de mis, om te voorkomen dat zijn kudde in slaap zou vallen en de gewijde boodschap zou missen. Heel praktisch.

Er is zeker in lachverband aanleiding te aarzelen met het plakken van het Renaissance-etiket op de tijd rondom 1200. Want na een relatief korte, maar opmerkelijke opleving (ook in de kunstzinnige weergave van de lachende of glimlachende mens) krijgen visies als die van de Straatsburger dominicaan Johannes Tauler (1300-1361) toch weer de overhand. Wie de mens beschouwt als smerig, boos, onrein en weerzinwekkend voor zijn soortgenoten, en het leven als ellendig en bitter (Tauler was een liefhebber van het boek Job), is niet tot een lolletje geneigd. De mysticus Heinrich Seuse (1295-1366) is een propagandist der zelfgeseling tot alle lachen je is vergaan (‘de ware compassie met Jezus’ lijden’). Een fraaie term in dit verband: ‘Passionsfrommigkeit’.

Met de Zwollenaar Thomas à Kempis (1380-1471) keren we weer terug op Golgotha en het lachtype dat de humor onder christenen zo lang verdacht heeft gehouden: ‘Want enkele lachten Christus uit alsof hij een nar was. En anderen – nog erger – voegden hem beledigingen toe en weer anderen grijnsden met hun tanden bloot en bezorgden hem nog meer pijn.’

Men stelt zich voor dat de Middeleeuwers moeten hebben gehunkerd naar het onbekommerde schuddebuiken. Ook in de wereldlijke hofcultuur der Middeleeuwen was de humor aan banden gelegd. Een lachje best, maar het moest wel hoofs blijven.

Laten we niet vergeten dat de lachfilosofen en -theoretici in de sfeer van de Heilige Moederkerk opereerden en dat hun doodernstige regels vooral werden nageleefd in kloosters en kerken. De Middeleeuwse schriftcultuur was in handen van de clerus, die de lach bij onvoldoende Bijbelse voorbeelden liever links liet liggen.

Ik stel me voor dat de opkomst van de stedelijke handelscentra moeten hebben bijgedragen aan de uiteindelijke emancipatie van de lach. Men doet immers niet graag zaken met een chagrijnig koopman en een lach kan vertrouwen wekken. Laten we dus genuanceerd blijven. Zou men niet hebben gelachen bij het (hoofse) dierendicht Van den Vos Reynaerde van rond 1280? Zeker is ook dat er heel wat wordt gelachen in de marge van middeleeuwse handschriften. En ook in de middeleeuwse beeldhouwkunst wordt in de marge (vrolijk of duivels) gelachen. Zie de 13de-eeuwse spuwers en consoles in de kathedraal van Reims.

Maar hoe later, des te meer er te lachen viel. In de 14de eeuw duikt het carnaval met haar doldwaasheden en komische machtsomkeringen in literatuur en beeldende kunst op. Onbetwist hoogtepunt is uiteraard de hilarische, encyclopedische reuzengeschiedenis Pantagruel (1532) en ook Gargantua (1534) van François Rabelais, net als Erasmus nota bene zelf een geestelijke. Daarna is de lach niet meer weg te denken uit kunst en literatuur. Godlof! Zonder humor, zonder lachen is de mens geen mens.

En wat Jezus betreft… In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd in Egypte een Evangelie van Judas gevonden, van omstreeks 300 na Christus. Het was weliswaar bekend bij de vroege kerk, maar kwam niet in de Bijbelse canon terecht – het is gnostisch – en raakte daarna zoek. Toevallig? In geen andere tekst wordt zo vaak gezegd dat Jezus lacht. Het ware weten…

Zou het verwant kunnen zijn aan het ware lachen? Voor de kerk is de laatste gedachte hoe dan ook een brug te ver gebleken.