Een uitgeputte Geert Wilders

‘In de Familiekamer’ – met Maurice Braspenning, Casper Faassen, Allart Lakke, Johan Scherft, Peter Zuur en Izaak Zwartjes. T/m 1 mei in De Familiekamer, Steenschuur 14, Leiden. Zo 12-17u en door de week op afspraak. Inl: 071-5126050****

Boodschapperig wil ze niet zijn, maar een inspirerend voorbeeld stellen wél. Toen de Leidse echtscheidingsadvocaat Manon Renken haar advocatenpraktijk in Leiden in haar eentje voortzette, zocht ze een manier om speciale aandacht te vragen. Die aandacht vond ze in de kunst.

In het monumentale maar vooral intieme pand aan de Steenschuur in Leiden vroeg Renken haar partner Maurice Braspenning – schilder en ex-deelnemer aan de Rijksakademie – een tentoonstelling samen te stellen met werk van kunstenaars die in Leiden wonen of werken en zich verhouden tot het begrip ‘relaties’ – Renkens specialisme. Bovendien riep Renken, met hulp van het Leids Cultuurfonds, een ‘Familiekamer’-prijs ter waarde van 1.500 euro in het leven. Het potje op kantoor dat dit jaar aan pr en marketing wordt besteed, is daarmee leeg.

Braspenning (1968), een schilder die met krijt, spray en olieverf de confrontatie zoekt in doeken die behalve mooi ook kritisch zijn, opent de tentoonstelling in de entreehal van het pand. Op vijf vierkante meter schoolbord staart een portret van Geert Wilders langs je heen. Wilders is opgetrokken uit lak, krijt en met een handboor bewerkt. Zweet trekt zwarte sporen over het uitgeputte, maar nog steeds verbeten gezicht van de politicus. Druppels lichten op in knalroze en -geel. Wilders’ overhemd stamt uit het discotijdperk. Nee, wat onze relatie betreft met de witharige politicus: niemand behalve hijzelf neemt die nog serieus.

Vanaf de entree waaiert de tentoonstelling uit over de gang, keuken, trap en kantoren. De thematiek wordt soms te losjes geïnterpreteerd. Dat Johan Scherft de Familiekamer-prijs in de wacht heeft gesleept, is hem gegund want zijn werk is, ondanks de omvang, fijnzinnig en bijna aaibaar. Maar het is onduidelijk wat zijn werk met relaties te maken heeft. Ook het verrassend goede werk van Peter Zuur (1957) heeft weinig verwantschap met het thema. Zuur bouwt met staalwol, polymeerhars, typex en cassettetape gelaagde urbane landschappen die leeg zijn en ontdaan van enig menselijk leven.

Postapocalyptisch kunstenaar Izaak Zwartjes (1974) maakte juist wel een beeld dat op associatieve wijze verwijst naar het thema. Zwartjes hing op de overdekte binnenplaats van het pand een ‘groeisel’ dat bestaat uit rot hout, jute, touw, aarde, leer en een plant. Het beeld is totaal abstract, maar gaandeweg ontdek je er vormen in: een Siamese tweeling, met een kindje op moeders schoot daar bovenop, gewoon gevonden op straat.