Braziliaanse deal met drijvende 'oliefabrieken' voor SBM Offshore

De Noorse nachtmerrie is voorbij, Brazilië lonkt. Met een deal ter waarde van bijna 3 miljard euro is SBM terug bij de basis.

SBM Offshore heeft weer lucht. Als de deal met het Braziliaanse oliebedrijf Petrobras volgens plan rondkomt, dan heeft de geplaagde dienstverlener in de olie- en gasindustrie weer een orderportefeuille die goed is voor vier jaar werk.

Dinsdag maakte SBM Offshore bekend dat het een principeakkoord had gesloten met Petrobras voor de bouw en verhuur van twee zogeheten FPSO’s voor een periode van twintig jaar. Het gaat om een contract van bijna 3 miljard euro.

SBM, dat hiermee dramatische projecten in Noorwegen en Canada definitief achter zich laat, spreekt in superlatieven en omschrijft de Braziliaanse deal als de „grootste order ooit”. Jos Versteeg, analist bij Theodoor Gilissen, reageert nuchter dat het bedrijf hiermee terugkeert naar de basis: het ombouwen van schepen in opdracht van de olie-industrie. Een terugkeer die bestuursvoorzitter Bruno Chabas vorig jaar al had aangekondigd.

FPSO’s (Floating Production Storage and Offloading) zijn supertankers die zijn omgebouwd tot drijvende fabrieken waarin – nadat ze zijn aangesloten op van tevoren gereedgemaakte boorputten – olie, gas, water en CO2 kunnen worden gescheiden, opgeslagen en gereedgemaakt voor verder vervoer.

De Nederlandse onderneming heeft al dertig jaar succes met deze techniek. De jongste generatie FPSO’s zijn meer dan driehonderd meter lang. Het bedrijf heeft nu zestien van deze drijvende fabrieken verhuurd over de hele wereld.

SBM heeft speciale toepassingen ontwikkeld zoals de ‘turret’, een draaibaar deel tussen het schip zelf en de olieleidingen naar de boorgaten. Hierdoor kan het schip mee bewegen met wind en stroming. De exploitatie van moeilijk gelegen diepzeebronnen wordt hierdoor aantrekkelijker.

Maar er zijn meer toepassingen, afhankelijk van omstandigheden en kosten. Voor de Braziliaanse bestelling – de schepen komen in het Lula-veld te liggen waar de zee 2.300 meter diep is – is gekozen voor het vastleggen van de schepen met lange ankerkettingen. Dit zogeheten ‘spread mooring’ kost, in dit geval, minder geld, beaamt directeur technologische ontwikkeling bij SBM Offshore, Kees Willemse.

Petrobras heeft voor de kust van Brazilië al een aantal van deze drijvende fabrieken liggen, maar het staatsbedrijf heeft moeite om aan zijn leveringsverplichtingen te voldoen. Daarom is besloten om langdurig extra capaciteit in te huren.

De schepen worden door SBM omgebouwd in een joint venture met onder andere het Braziliaanse Queiroz Galvao Óleo e Gás (QGOG). Het grootste deel van het werk zal worden verricht op een werf van SBM in Brazilië. Dit land stelt als voorwaarde dat minstens 60 procent van het werk in het land zelf wordt verricht.

Het principeakkoord komt kort nadat SBM Offshore een definitieve streep had gezet onder het dramatisch verlopen avontuur met het Yme-project in Noorwegen. Daar bouwde het bedrijf in opdracht van het Canadese energiebedrijf Talisman een bijzonder verplaatsbaar olieplatform. De bouw werd uitbesteed aan een werf in Abu Dhabi.

Het project werd een nachtmerrie. De kosten liepen op en de oplevering liet op zich wachten. Toen het Yme-platform eindelijk werd opgeleverd voldeed het niet aan de eisen. Ook het Panuke-project dat SBM voor Talisman in Canada uitvoerde bleek een probleem. In totaal heeft het bedrijf aan beide projecten 1,4 miljard euro verloren.