Column

Boven de afgrond kussen leven en dood elkaar

‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer. Foto Olivier Middendorp

I n het Haagse Gemeentemuseum tintelt de tentoonstelling Ja natuurlijk. Ondertitel ‘Hoe kunst de wereld redt’. En, hoe doet kunst dat? Nou, kunstenaar en moeder natuur krabben elkaar waar het jeukt, met de techniek als postillon d’amour. Grote namen, Ai Weiwei, Jimmie Durham.

Badly Natured heet onheilspellend het antwoord hierop van NEST. Dit Haagse platform voor dwarse jonge kunst selecteerde werk van elf kunstenaars die er geen doekjes om winden: de natuur kent geen moraal. De natuur vecht om te vechten. De natuur wint altijd. En de kunst heeft het nakijken. Wat de kunst dan ook doet, met satanisch genoegen.

Het letterlijkst zie ik dat in Rabbit, een werk van Martin uit den Bogaard uit 2003: een dood konijn ligt à la Sneeuwwitje in een glazen kistje uitgestrekt op een plak grond. Het begon wit, inmiddels is het een dor stukje bont met poten en een restant van lange oren. In dit constant veranderende kunstwerk zien we de natuur druk doende: de aarde is bezig het dier op te slokken.

Figuurlijk kan het ook. In de video The Living Room (2012) van Roderick Hietbrink wordt een boom van kluit tot kruin aan een kabel door een doorzonwoning getrokken, het voorraam in, het achterraam uit. De boom vernielt het interieur, niet doelmatig maar willekeurig. Alles gaat onderuit, maar de tv blijft staan.

Oftewel: moeder natuur kent liefde noch haat. Ze is onverschillig maar zelfs dat weet ze zelf niet, wil NEST maar zeggen. En deze kunstwerken verkondigen dat. En toch, en dat maakt het spannend, zien wij, die niet onverschillig kunnen zijn, schoonheid.

Al deze kunstenaars zweven boven de afgrond, op zoek naar de kus die leven en dood elkaar willen uitwisselen. Dat kan niet, ze sluiten elkaar uit. Maar die liefkozing is er want de kunst doet waar kunst goed in is: het onmogelijke.

Het morsdode konijn; de dwarse boom. Ze zijn echt, net als nogal wat andere elementen bij Badly Natured. Ze werden niet gefabriceerd, ze zijn ontrukt aan de werkelijkheid. Ze zijn echt. Een hoe kinderachtig dat ook klinkt, dat doet ertoe.

Net als de echte uniformjas van tsaar Peter de Grote, in een vitrine in de Hermitage in Amsterdam. De tentoonstelling over Peter de Grote is rijk, met als hoogtepunt het paneeltje van Rembrandt: ‘David neemt afscheid van Jonathan’ – alsof hij een illusionistische act uitvoert, schildert Rembrandt de angstvallige rug van de jonge prins, gehuld in de kostbare mantel die weldra bebloed zal zijn.

Maar die andere jas, die met de sjerp en de rode manchetten van Peter de Grote, die doet het ’m. Hij maakt de tsaar tastbaar, als man die een mooie jas waardeerde . Hij ontsnapte aan de dood: in het koperen halsstuk zie ik de deuk van een kogel. De jas onttrekt Peter aan de geschiedschrijving, en bewijst dat hij meer is dan een verhaal. Net als de bril van Luigi Pirandello die ik in diens geboortehuis op Sicilië zag, of de befaamde divan waarvoor ik naar het Freudmuseum in Londen ging.

Een nog veel magischer grens bewandelde Bas Heijne, toen hij in een verlaten villa op Java besefte dat dit het huis was waar Louis Couperus zijn roman De stille kracht situeerde. Er ontstond in Couperuskringen (want die zijn er) geharrewar over die observatie. Ja, dit is Het Huis. Maar nee, Couperus zat er niet daadwerkelijk te schrijven. Voor mij gaat dit over iets belangrijkers. Iets ijlers. Dit gaat over de stille kracht van de letterkunde.

Ik bel op. Heijne vertelt hoe het ging regenen terwijl hij door de lekkende vertrekken liep: „Met de moesson daalde ook de verveling neer, die Couperus zo prachtig beschrijft in De stille kracht.”

En dat is de kern. Strikt genomen doet huis noch ruisende regen ter zake. En toch. Dat huis bestaat in de woorden van Couperus maar het is er ook echt. Het is alsof de schrijver achter ons loopt, zolang we maar niet omkijken. De waardering van zijn boek verandert er niet door. Maar het besef dat hij daar rondkeek en noteerde, laat ons over de afgrond springen. Hij schreef. Daar. Hij dacht. Daar. Hij creëerde iets onvergankelijks en voegde dat toe, als een wonder van de natuur.

Nee, de kunst redt de wereld niet. Hoeft ook niet. De kunst donderjaagt, dat is genoeg. Daar wordt de wereld beter van.