Boektocht

Opeens had ik dringend de verhalenbundel Wereldschandkroniek van Jorge Luis Borges nodig, een bij De Bezige Bij verschenen Nederlandse vertaling (van A. Sillevis) uit 1970. Op internet trof ik hem voor vier euro aan bij een antiquariaat in Amsterdam-Oost. Er stond bij vermeld dat het van Doeschka Meijsing afkomstig was. Meteen gebeld.

„Het is half acht”, zei de antiquaar. „Dat weet ik”, zei ik.

„’s Avonds wil ik niet gestoord worden”, zei hij.

In Nederland willen we vooral tussen 9 en 6 uur ons brood verdienen, hoe lang kunnen we dat nog volhouden? De volgende dag belde ik op het afgesproken tijdstip bij hem aan. Een vriendelijke man verscheen in de deuropening, ogenschijnlijk geheel uitgerust. Hij overhandigde me het begeerde boek, ik gaf hem het geld.

„Hoe komt u nou aan een boek van Doeschka Meijsing?” vroeg ik. „Heel eenvoudig”, zei hij, „ik trof een deel van haar bibliotheek op het Waterlooplein aan.”

Toen ik hem verwonderd aankeek, voegde hij eraan toe: „Dat gebeurt wel vaker, ook van bekende schrijvers. Laatst lagen er ook allerlei politieke boeken van een bekende politica, die onlangs afscheid heeft genomen van de Tweede Kamer.” Omdat ik het hem vroeg, noemde hij ook de naam, maar op zo’n discrete toon dat ik begreep dat het onder ons moest blijven.

Die boeken had hij niet ingekocht, begreep ik. „Politieke boeken, daar is al helemaal geen vraag meer naar”, zei hij.

„Dit boekje van Borges heb ik alleen gekocht omdat de naam van Doeschka Meijsing erin staat. Dan heb je nog een kansje dat je het kwijtraakt.” „Toch koop ik het om een andere reden”, zei ik naar waarheid.

Hij lachte breed. Hij was het kwijt, daar ging het om.

We namen afscheid. Tien meter verderop bleef ik staan om het boek goed te inspecteren. Het rook naar rook – van sigaretten. Rechts bovenin, op de Franse pagina, stond haar naam, duidelijk met balpen geschreven, met de toevoeging: ‘mei 1973’. Ze was in oktober 1947 geboren, had ik thuis al opgezocht, ze was dus 25 jaar geweest toen ze dit boek van Borges had gelezen. Een jaar later debuteerde ze met haar verhalenbundel De hanen en andere verhalen.

„Toen ik korte verhalen schreef, was ik in de ban van Borges”, vertelde ze in de jaren zeventig in een interview aan Jan Brokken. „Hij is de virtuoos van het korte verhaal. Nu ik een roman geschreven heb, heb ik minder waardering voor hem. Hij is mijn grote voorbeeld niet meer. Een roman stelt andere eisen dan een verhaal.” Nabokov en Vestdijk namen zijn plaats in.

Hoe lang was ze nu zelf dood? Ruim een jaar. Niet veel, maar genoeg om met een deel van je bibliotheek al op straat te liggen. Terwijl ik naar de tram liep, zag ik haar weer scherp voor me. Ik had haar bij twee bladen als collega meegemaakt. Ze was niet gelukkig geworden in de journalistiek. Bij het eerste blad had men haar op den duur wreed weggebonjourd, bij het andere blad voelde ze zich nooit helemaal thuis. Ze maakte op het laatst een depressieve indruk.

De literatuur was haar domein, maar ze wilde niet alleen schrijven, ze had ook sociaal verkeer nodig. Als schrijver beleefde ze veel later een nieuwe bloeiperiode met de roman Over de liefde, waarvoor ze in 2008 de AKO Literatuurprijs kreeg.

Borges leidde mij ongewild naar Doeschka Meijsing, maar wat leidde mij naar Borges? Waarom had ik zijn Wereldschandkroniek opeens nodig? Wordt, deo volente, vervolgd.